
Column: WIPA plaatst politici boven de wet
| starnieuws | Door: Redactie
De procureur-generaal heeft deze week drie verzoeken aan De Nationale Assemblée gestuurd om drie ex-ministers in staat van beschuldiging te stellen. Het gaat om voormalig minister van Financiën Gillmore Hoefdraad, oud-minister van
Dat komt door de Wet In Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers (WIPA). Deze wet bepaalt dat ministers, assembleeleden en andere politieke ambtsdragers pas strafrechtelijk vervolgd kunnen worden nadat het parlement hen in staat van beschuldiging heeft gesteld. Pas daarna kan het Openbaar Ministerie naar de rechter stappen.
Op papier lijkt dat een bijzondere procedure. In werkelijkheid
De memorie van toelichting bij deze wet laat daar geen misverstand over bestaan. Het parlement moet niet beoordelen of er voldoende bewijs is voor een strafzaak. Die beoordeling hoort bij het Openbaar Ministerie en uiteindelijk bij de rechter. De Nationale Assemblée moet slechts kijken of een vervolging het politieke bestel zou kunnen verstoren of de maatschappelijke rust zou kunnen ondermijnen. Het parlement maakt dus een politieke afweging over een strafrechtelijke procedure.
In een rechtsstaat geldt het eenvoudig principe dat, iedereen gelijk is voor de wet. Iedereen ongeacht zijn maatschappelijke status moet strafrechtelijk vervolgd kunnen worden. Maar WIPA creëert een uitzonderingspositie voor politieke ambtsdragers. Voordat het strafrecht zijn werk kan doen, moet eerst een politieke meerderheid toestemming geven. Dat maakt strafvervolging afhankelijk van politieke machtsverhoudingen.
De geschiedenis van de zaak rond voormalig minister Hoefdraad laat dat haarscherp zien. In 2020 werd een eerste verzoek om hem in staat van beschuldiging te stellen door het parlement afgewezen. De toenmalige coalitie, waartoe ook de NDP behoorde, de partij van Hoefdraad, stemde tegen. Het strafrecht werd op dat moment feitelijk geblokkeerd door de politiek.
Na de verkiezingen van 2020, toen de politieke verhoudingen in De Nationale Assemblée veranderden en een nieuwe coalitie onder leiding van de VHP aantrad, werd Hoefdraad alsnog in staat van beschuldiging gesteld. De verdenking was niet veranderd. Wat wel veranderde, was de politieke meerderheid. Het is precies dit soort situaties dat de zwakte van deze wet blootlegt.
Mooier nog, heeft de advocaat van Hoefdraad enkele weken geleden het parlement aangeschreven met de stelling dat de in staat van beschuldigingstelling van 2020 onrechtmatig zou zijn geweest en die terug te draaien. Opmerkelijk, want Hoefdraad is inmiddels al door het Hof van Justitie veroordeeld..
Dit illustreert hoe deze wet een extra politieke en juridische laag creëert die zelfs na een rechterlijke uitspraak nog onderwerp van discussie kan worden. Het maakt strafzaken tegen politieke ambtsdragers niet alleen ingewikkelder, maar ook kwetsbaarder voor politieke en procedurele disputen.
De huidige verzoeken van de procureur-generaal brengen de wet opnieuw in het middelpunt van de belangstelling. Eén van de betrokken politici, Somohardjo, heeft zelfs verklaard dat hij graag in staat van beschuldiging wil worden gesteld en dat de coalitie geen rekening met hem hoeft te houden. Hij zegt niets te vrezen van een strafrechtelijk onderzoek omdat hij ervan overtuigd is dat er geen bewijs tegen hem bestaat. Dat klinkt principieel. Maar het legt tegelijk het fundamentele probleem bloot: het parlement moet beslissen of iemand überhaupt onderzocht kan worden. Niet het Openbaar Ministerie, Niet de rechter, maar de politiek.
De memorie van toelichting verdedigt de regeling met het argument dat het gaat om ambtsdragers die posities van grote politieke macht bekleden. Juist daarom zou een speciale procedure nodig zijn. Maar dat argument kan ook precies andersom worden gelezen. Hoe groter de macht van een ambtsdrager, hoe groter de noodzaak van onafhankelijke controle. In plaats daarvan krijgen politieke ambtsdragers een extra beschermingslaag.
De bedoeling van de wet was waarschijnlijk om te voorkomen dat strafvervolging misbruikt zou worden als politiek wapen. Maar in de praktijk heeft de wet een ander effect gekregen: zij heeft de politiek een rol gegeven in een proces dat juist onafhankelijk van politieke belangen zou moeten plaatsvinden.
En daarmee heeft zij de deur opengezet voor precies datgene wat een rechtsstaat probeert te voorkomen namelijk, de vermenging van politiek en strafrecht. Het gevolg is een systeem waarin vervolging afhankelijk kan worden van coalities, opposities en verkiezingsuitslagen.
Wie werkelijk gelooft in de gelijkheid voor de wet, kan moeilijk verdedigen dat volksvertegenwoordigers eerst moeten beslissen of een verdachte minister wel of niet voor de rechter mag verschijnen. In een rechtsstaat hoort de rechter te bepalen of iemand schuldig is.; niet de politiek. De wet hoort in de prullenmand thuis.
Wilfred Leeuwin
| starnieuws | Door: Redactie




































