Wat zich bij Canawaima afspeelt, is niet zomaar bestuurlijke ruis of interne spanning. Dit begint verdacht veel te lijken op het zoveelste staatsbedrijf waar toezicht is verworden tot een dekmantel voor bemoeienis, vriendjespolitiek en mogelijk financieel gesjoemel. Een organisatie die cruciaal is voor de verbinding tussen Suriname en Guyana
is inmiddels zo ontspoord dat het eigen personeel het vertrouwen in de Raad van Commissarissen heeft opgezegd en het werk heeft neergelegd. Dan heb je als regering niet langer een managementprobleem, maar een bestuurlijke crisis.
De signalen zijn vernietigend. Er is sprake van beschuldigingen van belangenverstrengeling, van
commissarissen die zich zouden bemoeien met de dagelijkse bedrijfsvoering, van personeelsbesluiten die buiten de directie om zouden zijn genomen en van een organisatie waar essentiële technische problemen blijven aanslepen terwijl geldstromen kennelijk moeiteloos hun weg vinden. Dat alleen al is een schande.
Maar als daar dan ook
nog door Newara uitgelekte facturen bovenop komen waaruit zou blijken dat een familiebedrijf van een RvC-lid bijna SRD 217.800 ontvangt voor slechts zes dagen onderhoud, dan is het woord ‘toezicht’ compleet uitgehold.
Want laten we eerlijk zijn: hoe leg je aan het volk uit dat een staatsbedrijf
verlies draait, technische mankementen niet structureel worden opgelost en de dienstregeling ontregeld raakt, terwijl bedrijven gelieerd aan familie van toezichthouders wél stevig lijken te verdienen? Zelfs als men juridisch zou proberen weg te kruipen achter formaliteiten, blijft de stank van belangenverstrengeling keihard hangen. En in een fatsoenlijk bestuur is zelfs
de schijn daarvan al onaanvaardbaar.
De grootste politieke verantwoordelijkheid ligt intussen bij minister Raymond Landveld. Hij installeerde deze Raad van Commissarissen nog maar kort geleden, met de gebruikelijke praatjes over verantwoordelijkheid, continuïteit en bestuur. En wat is het resultaat? Chaos, wantrouwen, werkonderbrekingen en
een publiek schandaal. Als deze mensen onder zijn gezag zijn benoemd en het nu al zó uit de hand loopt, dan roept dat onvermijdelijk de vraag op hoe serieus deze regering integriteit eigenlijk neemt.
Nog erger: volgens de bond waren de spanningen al langer bekend en zou
de minister al eerder op de hoogte zijn gebracht van de verstoorde relatie tussen directie en toezichthouders. Als dat klopt, dan is dit niet alleen een kwestie van slecht bestuur, maar ook van politiek falen. Dan heeft men signalen laten sudderen tot het systeem openlijk begon te rotten. En precies
daar zit het echte probleem van deze regering: pas handelen als de boel al in brand staat.
Wat Canawaima nu laat zien, is een bestuurscultuur waarin staatsbedrijven niet lijken te worden beschermd tegen politieke bemoeienis, maar er juist door worden verstikt. Toezichthouders horen afstand te bewaren, onafhankelijk
te zijn en het algemeen belang te dienen. Niet opduiken in operationele kwesties, niet via familieconstructies rond contracten hangen en al helemaal niet een situatie creëren waarin personeel het vertrouwen volledig opzegt. Dat is geen toezicht. Dat is ontsporing.
De samenleving hoeft zich dan ook niet meer
af te vragen waarom zoveel staatsbedrijven in Suriname blijven slabakken. Het antwoord ligt hier open en bloot op tafel: verkeerde mensen op invloedrijke plekken, te weinig transparantie, te veel politieke dekking en een minister die pas lijkt wakker te worden als het personeel de stekker eruit trekt. Canawaima is niet
ontspoord ondanks het toezicht — maar juist onder het toezicht.
Als Landveld nu niet hard ingrijpt, schoon schip maakt en volledige openheid van zaken geeft, dan bevestigt hij slechts wat velen al vrezen: dat ook deze regering het beheer van staatsbedrijven liever overlaat aan connecties dan aan
kwaliteit. En dan is Canawaima niet alleen een veerverbinding in crisis, maar een pijnlijk symbool van hoe rot bestuur eruitziet wanneer niemand op tijd de rem durft in te trappen.