Niet Riyad, maar Houston. Daar zit dezer dagen werkelijk het laatste vat olie waarop de wereldeconomie kan terugvallen. En dat “vat” raakt leeg, sneller dan beleidsmakers bereid zijn onder ogen te zien.
Het publieke debat wordt gedomineerd door knetterend spektakel: ruziënde (wereld)leiders, beledigde ego’s, theatrale persconferenties. Terwijl
men gefascineerd toekijkt hoe leiders elkaar retorisch proberen te overstemmen, voltrekt zich op de achtergrond een verschuiving in de mondiale energie-orde die kleine, van import afhankelijke economieën – inclusief Suriname – recht in de flank kan treffen. De recente analyse van Giacomo Prandelli in The Merchant’s News, onder de titel
“
America Is Now the World’s Strategic Reserve,” is in dat opzicht ontnuchterend.
De feitelijke sluiting van de Straat van Hormuz, als gevolg van de oorlog rond Iran, heeft de reservecapaciteit van OPEC vrijwel onbereikbaar gemaakt. Zes decennia lang konden oliemarkten ’s nachts rustig slapen omdat Saoedi-Arabië –
en in mindere mate de VAE en Irak – miljoenen vaten per dag in reserve hielden. OPEC was de centrale bank van olie. Vandaag staan die vaten op de verkeerde oever van een gesloten zeestraat…..en geen pijpleiding die het verschil compenseert.
De cijfers laten geen ruimte voor
relativering. In de week eindigend op 17 april jl. exporteerden de Verenigde Staten een recordhoeveelheid van 12,9 miljoen vaten ruwe olie en geraffineerde producten per dag. In diezelfde week werden circa 26 miljoen vaten uit Amerikaanse voorraden onttrokken, inclusief uit de Strategic Petroleum Reserve, de federale staatsreserve die expliciet voor
noodgevallen is opgebouwd. Europa koopt links en rechts om weggevallen Russische en Qatarese diesel op te vangen. Azië koopt overal en nergens om Iraanse en Golf-volumes te vervangen. Houston is, in alle opzichten, de mondiale noodvoorraad geworden. Een tweede verdedigingslinie er niet.
Tel daar China bij op.
Jarenlang was Beijing de stille stabilisator: het kocht overschotten op en hield die in voorraad. Vandaag doet China precies het omgekeerde. Het tapt zijn eigen voorraden af. Volgens grondstoffenhandelaar Mercuria heeft die
buffer nog enkele weken te gaan. Wanneer China terugkeert als koper, op een markt waar geen reservecapaciteit meer
is, kantelt het mondiale evenwicht binnen dagen. De consensus binnen de oliesector is opmerkelijk eensgezind, en opmerkelijk onbehaaglijk: rond september dreigt de wereldwijde buffer leeg te lopen.
Als we verstandig zijn negeren we dit niet. Het is geen gewoon economisch-handelsnieuws uit Singapore of een statistiek uit Houston.
Dit raakt ook ons en wel snel.
Wanneer Europa en Azië tegen elkaar opbieden om de laatste beschikbare vaten, schuiven kleine, van import afhankelijke economieën zonder pardon naar achter in de rij. Het aandeel van Latijns-Amerika in Amerikaanse leveranties krimpt nu al. Voor CARICOM – Suriname inbegrepen
– is dat geen abstracte risicoparagraaf in een rapport, maar concrete pijn: krappere brandstofvoorraden, hogere invoerprijzen, druk op subsidies, op elektriciteitstarieven, op transportkosten en uiteindelijk op de prijs van voedsel in de winkel. Zelfs onze opkomende olie- en gas producerende buren worden geraakt. Prijsschokken, verstoringen in vrachttarieven en raffinageknelpunten zijn
er plotseling, lang voordat eigen olie-inkomsten op een staatsbegroting verschijnen.
Het is verstandig om nu goed in de spiegel kijken. Suriname is een opkomende offshore-producent met geopolitieke kansen. Het is een boodschap die we tegenwoordig continue horen in elk politiek interview. Wat veel minder vaak gezegd wordt:
in het hier en nu zijn wij gewoon nog netto-importeur van brandstoffen, even kwetsbaar voor de wereldmarkt als elke kleine staat zonder reserves. Het verschil tussen “veelbelovende producent” en “structureel ingebedde energieleverancier” is breder dan ons publieke debat suggereert. En het gaat jaren duren voor we dat hebben overbrugd, niet
in enkele maanden. Wie toekomstige welvaart verwart met huidige weerbaarheid, is blind voor de schok die nu al zichtbaar is voor hen die vooruitkijken.
Wat is er dan nodig?
Ten eerste: energiezekerheid hoort niet thuis als technocratisch dossier in één ministerie. Zij behoort tot
de kern van het buitenlands beleid op het hoogste niveau, tot het hart van regionale diplomatie, tot de plicht tot strategische voorraadvorming en serieuze scenarioplanning. Wie dit dossier lager ophangt in de politieke hiërarchie, hangt haar verkeerd op.
Ten tweede: de tijd is niet rekbaar. Wanneer marktprofessionals
openlijk waarschuwen dat de mondiale buffer rond september kan opdrogen, is dat geen prognose voor academische analyse. Het is een deadline. Noodscenario’s, voorraadafspraken en regionale coördinatie horen vóór die datum op tafel te liggen, niet erna, wanneer we in een crisismodus zijn beland die wij zelf hadden kunnen voorkomen.
Ten derde, en het scherpst: geopolitiek laat zich vandaag niet meten in retoriek, niet in foto-ops en niet in twitterende staatshoofden en bewindslieden. Zij laat zich meten in vaten olie, in scheepsroutes, in opslagtanks, en in de eenvoudige vraag of kleine landen geloofwaardige plannen hebben wanneer het vangnet
onder de wereldeconomie wordt weggetrokken. Wie die vraag niet kan beantwoorden, regeert niet, die improviseert.
Voor Suriname, en voor onze regio, is de vraag dus niet langer óf wij energiezekerheid als topprioriteit van ons buitenlands beleid behandelen. De vraag is of wij dat doen vóór september, of
er pijnlijk aan herinnerd worden ná september.
Rajendre Khargi
Over de auteur
Rajendre Khargi was van 2021 tot 2025 Ambassadeur van de Suriname in Nederland, mede geaccrediteerd in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Noorwegen, Zweden en Finland. Hij is
thans actief als strategisch adviseur op het snijvlak van good-governance, diplomatie, energiebeleid en Caribische en Surinaamse geopolitiek. Zijn werk wordt gedragen door het motto “Born in Suriname, Serving the World.”
Redactie Chronos