
Column: Wie niets te vrezen heeft, kiest voor openbaarheid
| starnieuws | Door: Redactie
Parlementariërs hebben hun mond vaak vol van “het volk”. Zij benadrukken voortdurend dat zij door het volk gekozen zijn, dat zij het volk vertegenwoordigen en dat transparantie en openbaarheid belangrijke pijlers van
de democratie zijn. Maar juist op een moment waarop het parlement namens het volk een belangrijke politieke beslissing moet nemen over voormalige ministers die onderwerp zijn van corruptieonderzoeken, kiest men niet vanzelfsprekend voor maximale openbaarheid.
Vandaag worden in drie afzonderlijke vergaderingen van De Nationale Assemblee de hoorzittingen gehouden van
voormalige politieke ambtsdragers: ex-ministers Bronto Somohardjo (Binnenlandse Zaken), Riad Nurmohamed (Openbare Werken) en Gillmore Hoefdraad (Financiën). De procureur-generaal heeft tegen hen een verzoek ingediend op basis van de Wet In Staat van Beschuldiginstelling Politieke Ambtsdragers (WIPA).
Die wet schrijft voor dat het parlement eerst een politieke beslissing neemt over
de vraag of een gewezen of zittende minister in staat van beschuldiging moet worden gesteld. Dat besluit gaat nadrukkelijk niet over schuld of onschuld, maar over de vraag of er voldoende aanleiding is om strafrechtelijk onderzoek en vervolging mogelijk te maken. Het parlement treedt hierbij op namens de samenleving, niet
namens politieke partijen of individuele belangen.
Van de drie betrokkenen is Hoefdraad voortvluchtig. De aandacht richt zich daarom vooral op de twee andere voormalige ministers uit het kabinet Santokhi (2020-2025): Nurmohamed en Somohardjo.
Opvallend is het verschil in houding tussen beide ex-ministers. Somohardjo heeft zich vanaf dag 1
open opgesteld. Hij zegt niets te vrezen te hebben en verklaarde zelfs dat hij in het parlement vóór zijn eigen in staat van beschuldiginstelling zou stemmen als dat nodig is. Verder wilde hij dat zijn hoorzitting openbaar zou plaatsvinden. De hoorcommissie stemde daarmee in en uiteindelijk heeft ook de voorzitter
van het parlement dat verzoek gehonoreerd. Nurmohamed daarentegen wil geen openbare behandeling. Zijn hoorzitting zal achter gesloten deuren plaatsvinden. Wat een contrast met uitspraken van hem zelf over transparantie, niets te hebben om te verbergen en dat iedereen alles mag weten.
Openbaarheid mag geen privilege zijn dat afhankelijk wordt
van de wens van degene die ter verantwoording wordt geroepen. Het parlement maakt hier een fundamentele fout door de keuze voor openbaarheid over te laten aan ex-minister Nurmohamed. Het gaat immers niet om een privékwestie. Het gaat om het functioneren van ministers in een publiek ambt. Het volk heeft recht
op openbaarheid. De samenleving heeft daarom recht op maximale transparantie, zeker wanneer de procureur-generaal aanleiding ziet om het parlement te vragen een minister in staat van beschuldiging te stellen wegens mogelijke misstanden en corruptieonderzoeken.
In het bijzonder bij Openbare Werken zijn de afgelopen jaren ernstige maatschappelijke discussies ontstaan over
aanbestedingen, uitvoering van projecten en vermoedens van corruptie. Bijna tien maanden nadat Nurmohamed het ministerie heeft verlaten, blijkt steeds duidelijker dat er veel zaken mis zijn gegaan. Daar komt nog bij dat Nurmohamed zichzelf tijdens zijn ministerschap niet geliefd heeft gemaakt met uitspraken die als arrogant en onmaatschappelijk werden ervaren,
waaronder de opmerking dat “de samenleving gestraft moet worden.”
In de vordering van de procureur-generaal gaat het bij Nurmohamed om handelingen in strijd met het Wetboek van Strafrecht, waaronder, valsheid in geschrifte, oplichting en verduistering. De procureur-generaal benadrukt daarin dat Nurmohamed deze handelingen mogelijk heeft gepleegd in samenwerking met
andere onbekenden, tegen wie ook strafprocessen kunnen volgen.
Juist daarom heeft het publiek recht om te zien hoe hij zich verdedigt tegenover de volksvertegenwoordiging. Transparantie is geen straf, maar een essentieel onderdeel van publieke verantwoording. Wanneer een minister jarenlang publieke macht heeft uitgeoefend, publieke middelen heeft beheerd en publieke
besluiten heeft genomen, dan hoort ook die verantwoording publiek te zijn.
Het argument dat een besloten hoorzitting nodig zou zijn om rechten van betrokkenen te beschermen, houdt in dit stadium nauwelijks stand. De WIPA-procedure gaat immers nog niet over een strafrechtelijke veroordeling, maar over de vraag of vervolging mogelijk
moet worden gemaakt. Juist omdat het parlement hier een politieke afweging maakt namens het volk, hoort die afweging zichtbaar en controleerbaar te zijn voor datzelfde volk.
Somohardjo begrijpt dat beter dan velen in het parlement zelf. Zijn keuze voor openbaarheid getuigt van politiek besef. Wie zegt niets te vrezen
te hebben, hoeft zich niet achter gesloten deuren te verschuilen. Het voorbeeld van Somohardjo had daarom niet uitzonderlijk moeten zijn, maar de standaard.
De hoorcommissie en de leiding van het parlement hadden één duidelijke lijn moeten trekken: alle hoorzittingen openbaar. Niet afhankelijk van persoonlijke voorkeuren, politieke gevoeligheden of strategische
berekeningen. Want zodra over openbaarheid onderhandeld kan worden, ontstaat de indruk dat transparantie selectief wordt toegepast.
Wilfred Leeuwin
| starnieuws | Door: Redactie




































