• zondag 29 March 2026
  • Het laatste nieuws uit Suriname
Nemo iudex in causa sua; niemand kan rechter zijn in eigen zaak (OPINIE)

Nemo iudex in causa sua; niemand kan rechter zijn in eigen zaak (OPINIE)

| surinamevandaag | Door: Redactie

(Door: K. Ramdhan) – De beslissing van assembleelid Bronto Somohardjo om zich te onthouden van de beraadslagingen over de vordering van de procureur-generaal om hem in staat van beschuldiging te stellen, is juridisch correct.Toch is onthouding alleen niet voldoende. De constitutionele regeling die bepaalt dat vervolging van (voormalige) politieke ambtsdragers wegens ambtsmisdrijven slechts kan plaatsvinden met instemming van De Nationale Assemblee (DNA), beoogt geen persoonlijk privilege te scheppen, maar het ambt te beschermen tegen lichtvaardige of politiek gemotiveerde vervolging.

DNA vervult daarbij een poortwachtersrol. Op grond van artikel 5 van de Wet in Staat van Beschuldigingstelling

(de Wet) beoordeelt het parlement of strafrechtelijke vervolging in politiek en staatsrechtelijk opzicht in het algemeen belang is. Met de instelling van een parlementaire commissie is deze procedure formeel in werking getreden. In deze fase opereert DNA in een quasi-juridische hoedanigheid en dient zij te beoordelen of sprake is van “genoegzame gronden” als bedoeld in artikel 11 lid 1 van de Wet. Dat vereist onafhankelijkheid en zichtbare distantie.

De rechtsstaat beschermt niet alleen tegen daadwerkelijke partijdigheid, maar ook tegen de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan. Het aanblijven van een politieke ambtsdrager die als voormalig minister onderwerp is van

een vervolgingsverzoek, verdraagt zich naar mijn oordeel moeilijk met de controlerende en wetgevende taken van het parlement, evenmin met diens bevoegdheid om over die vervolging te beslissen. Ook zonder deelname aan specifieke beraadslagingen blijft betrokkene onderdeel van fractieverhoudingen, coalitieafspraken en politieke afwegingen. De persoonlijke rechtspositie kan zo, hoe indirect ook, doorwerken in het institutionele proces.

Institutionele integriteit vraagt daarom meer dan formele naleving van procedurele regels. Zij vereist een objectief waarneembare waarborg dat het parlement zijn oordeel vormt zonder interne spanning die samenhangt met de positie van een van zijn leden. Het gaat daarbij niet om wantrouwen jegens een individu, maar om bescherming van het constitutionele evenwicht. Het gezag van staatsorganen berust op vertrouwen, en vertrouwen veronderstelt transparantie en onpartijdigheid.

De onschuldpresumptie blijft onverkort gelden: strafrechtelijk is ieder mens onschuldig totdat schuld in rechte is vastgesteld. Politieke verantwoordelijkheid is echter een andere categorie. Zij ziet niet op straf, maar op het behoud van vertrouwen in het ambt. Een tijdelijke opschorting van parlementaire werkzaamheden is geen schulderkenning, maar een bestuurlijke maatregel ter bescherming van de geloofwaardigheid van het instituut.

De wet voorziet pas in schorsing na bewilliging door DNA, waarna op grond van artikel 11 lid 3 van de Wet de schorsing van rechtswege intreedt. Dat wettelijke moment markeert echter het minimumkader. Het sluit niet uit dat een ambtsdrager eerder vrijwillig tijdelijke distantie betracht wanneer de aard van de verdenking en de institutionele context daarom vragen. Staatsrechtelijke betamelijkheid kan verder reiken dan het strikt noodzakelijke.In verschillende Europese rechtsstelsels is het gebruikelijk dat ambtsdragers bij ernstige verdenkingen tijdelijk terugtreden om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden. Hoewel de constitutionele kaders verschillen, is het onderliggende uitgangspunt vergelijkbaar: het ambt weegt tijdelijk zwaarder dan het persoonlijke belang bij aanblijven.

Nu de parlementaire commissie is ingesteld en het onderzoek loopt, kan naar mijn oordeel niet worden volstaan met incidentele onthouding van stemming. Institutionele zuiverheid verlangt volledige distantie van plenaire vergaderingen, commissiewerk en politieke besluitvorming zolang de vervolgingsvraag aanhangig is. Alleen zo kan DNA haar poortwachtersrol vrij van interne druk vervullen en wordt vermenging van persoonlijke rechtspositie en publieke macht voorkomen.

De rechtsstaat vraagt meer dan minimale regelconformiteit; zij verlangt actieve bescherming van haar instituties. Zich onthouden van stemming is juridisch correct. Terugtreding is in deze omstandigheden staatsrechtelijk een morele plicht jegens het parlement en de constitutionele orde. Wachten tot het formele moment van bewilliging en de daaropvolgende schorsing van rechtswege doet onvoldoende recht aan de noodzaak van zichtbare onafhankelijkheid.

K. (Chinta) Ramdhan

| surinamevandaag | Door: Redactie