
Oude plantages in Suriname worden vakantieplekken
| nrc.nl | Door: Nina Jurna
Suriname Voor het slavernijverleden van Nederland in Suriname neemt de belangstelling toe. Eigenaren van de mooi gelegen oude plantages spelen er met tours en accommodatie op in.
‘Als je hier maar diep genoeg graaft”, zegt gids Ro terwijl hij vanuit het houten bootje zijn hand door het water laat glijden, „dan vind je de botten en schedels van massa’s slaven die hier vroeger gedwongen werkten, gemarteld werden en zijn overleden.”
De zon schijnt over het oneindige moeras, dat bedekt is met zachtgroene bladeren waartussen witte waterlelies bloeien. Het bootje schommelt, af en toe streelt een zachte tropische windvlaag onze wangen. In de verte bij de bosrand bloeien rode palulu’s. Dat zich op deze idyllische plek, honderden jaren lang, de meest gruwelijke geschiedenis van Suriname afspeelde is nauwelijks te bevatten. „Straks vertel ik meer, eerst nog een stukje varen”, zegt Ro en start de motor.
Het moeras ligt in het gebied Commewijne, dat tussen de
/s3/static.nrc.nl/bvhw/files/2018/03/data26228299-f66485.png)
Oude plantages in het noorden van Suriname.Beeld studio NRC
Nu zijn er plannen om de plantages op een andere manier opnieuw tot bloei te laten komen. Want steeds meer Surinaamse Nederlanders duiken in hun verleden, merkt touroperator Sirano Zalman, tevens directeur van plantage Frederiksdorp in Commewijne. En ook autochtone Nederlanders hebben een groeiende interesse in het slavernijverleden en de koloniale tijd. „Dit gebied heeft een rijke historie en cultuur voor zowel Surinamers als Nederlanders, het heeft een prachtige natuur, en je kunt er relaxen.”
Vijftien oude plantages
Vorig jaar april kwamen op initiatief van Zalman de eigenaren
Het eerste gezamenlijke project van de plantages is het herstellen van het eeuwenoude, 24 kilometer lange pad dat in de koloniale tijd langs de plantages liep en door de plantagehouders werd onderhouden. Zalman: „Er is een deel dat al als fietspad wordt gebruikt, maar we willen het hele pad en de bruggen herstellen zodat er lange fietstochten kunnen worden gemaakt,
‘Die verhalen kenden we niet, je leert dit ook niet op
school, dat is zonde’Een van de bezoekers
Een paar honderd meter achter plantage Frederiksdorp vaart gids Ro (27) opgewekt verder met zijn bootje. Zijn volledige naam is Rohandie Jozefzoon, hij is onlangs als gids aangesteld in Commewijne. „Ik kom uit Isadou, een eiland aan de Boven-Surinamerivier. Ik ben een nazaat van slaven die de plantages ontvlucht zijn, de marrons. Mijn voorouders hebben zich vrijgevochten”, zegt hij trots. Ro wijst naar de omvang van het moeras. „Dit waren de werkvelden, de slavenhutten stonden meer naar achteren. Op deze plek werden ook de lichamen van overleden slaven gedumpt.” Javanen en Hindoestanen die hier na de slavernij kwamen wonen, gingen rijst planten en zetten dit gebied onder water. „Uiteindelijk is het dit moeras geworden”, zegt Ro en vist een mooie lange waterlelie uit het water.
‘Geschiedenis wordt tastbaarder’
Verderop, op de Commewijnerivier, zijn Rob Wielinga en vijf familieleden eerder deze ochtend langsgevaren, richting plantage Bakkie, een
Een week geleden waren ze in een marrondorp. Daar hoorden ze voor het eerst de geschiedenis van Surinames grote vrijheidsstrijder Boni, die met een eigen leger van gevluchte slaven jarenlang succesvol tegen de Nederlanders vocht, plantages aanviel en andere slaven bevrijdde. „Die verhalen kenden we niet, je leert dit ook niet op school, dat is zonde”, merkt een van de vrouwen in de boot op. Ze meren aan en stappen plantage Bakkie op.
„De eerste keer dat
/s3/static.nrc.nl/bvhw/files/2018/03/data26072296-1f44f9.jpg)
In het museum bij plantage Bakkie zijn voorwerpen, tekeningen en documenten uit de slavernijtijd verzameld.Foto Ranu Abhelakh
Nu, twaalf jaar later, heeft ze met haar man Bas Spek, een voormalig hypotheekadviseur uit Nederland, de naastgelegen plantage Bakkie ontwikkeld en door hun toeristische activiteiten in feite het hele dorp dat erbij hoort nieuw leven ingeblazen. Een van de trekpleisters van Bakkie is een museum met voorwerpen die Mormon en Spek op de plantage vonden, ontdekten in de nabijgelegen Warappakreek of via particulieren in handen kregen. Spek: „Het was een wild plan om de Warappakreek uit te baggeren. Er was al honderd jaar niemand geweest, het was volledig dichtgegroeid, terwijl het volgens oude kaarten tot aan de zee moest doorlopen. Ik kreeg toestemming van de districtscommissaris, die dacht dat ik het toch nooit zou doen. Met een ponton met graafmachine en met hulp van bewoners van Bakkie hebben we de kreek in acht maanden
Achternamen opzoeken
Rob Wielinga staat met zijn familieleden gebogen over een glazen tafel in het museum, waar boeken, afbeeldingen en voorwerpen liggen. „Wat is jullie achternaam? En weten jullie of je afstammeling bent van een plantage houder?” vraagt Bas Spek aan de groep. De toeristen schudden vol overtuiging hun hoofd. „Zal ik eens kijken of jullie achternamen in de lijst voorkomen?” Spek heeft originele betalingsbewijzen van rond de afschaffing van de slavernij. Niet de slaven kregen een vergoeding voor al het leed, maar de slavenhouders kregen een vergoeding voor hun ‘verloren kapitaal’.
De toeristen bestuderen de tekeningen van John Gabriel Stedman, een huurling die in de achttiende eeuw in opdracht van het koloniale regime op marrons joeg. Daarnaast maakte Stedman tekeningen van gebeurtenissen die hij zag op de plantages. Op een afbeelding hangt een slavin met striemen over haar lijf aan een boom, op een andere pagina wordt het bloedende lichaam
Ro vaart met zijn bootje richting de kant. „We gaan fietsen over het oude plantagepad dat in de toekomst wordt hersteld en uitgebreid.” Het pad fietst makkelijk en soepel, het uitzicht is prachtig. Bewoners van de plantage Johanna Margaretha zwaaien, in de verte steekt een bootje de rivier over. Bij een oude sluis stopt Ro en inspecteert de plek. „Overal zie je nog oude sluizen en kanalen langs dit pad, ooit aangelegd door de Hollanders.”
| nrc.nl | Door: Nina Jurna




































