
Op een klein kurkje kan een land niet drijven
| Degroene.nl | Door: Piet Emmer en Henk den Heijer
Afbeelding: Gravure van de slavenopstand in Suriname door D.K. Bonatti© Historical Picture Archive / Getty Images
De ‘nieuwe realisten’ in het slavernijonderzoek claimen dat de traditionele wetenschappers tot voor kort uitmaakten wat wel en niet werd onderzocht en dat zaken als het economisch belang van de slavernij daardoor onderbelicht bleven. Een dubieuze claim.
Voor het geval u het nog niet wist, er is een ‘nieuw realisme in de geschiedwetenschap’ ontstaan. Dat stelde Niels Mathijssen op 27 juni 2018 in De Groene. Hij is niet de enige die vindt dat er de laatste jaren een frisse wind waait door dit vakgebied dat tot voor kort werd gedomineerd door de oude realisten.
Het nieuwe realisme biedt een andere kijk op de Nederlandse geschiedenis en manifesteert zich vooral in het onderzoek naar het koloniale verleden. Mathijssen benadrukte ook de stimulerende rol van activisten in het nieuwe realisme – die zou doorslaggevend zijn in het agenderen van andere, nieuwe onderwerpen
Wie zijn die oude realisten en wat onderscheidt hen van de nieuwe realisten? Dat zijn historici die vanaf pakweg de jaren zestig van de vorige eeuw publiceerden over het koloniale verleden, maar ook een historicus als James Kennedy, de man die de actualisering van de geschiedeniscanon leidt. Hij publiceerde in 2017 Een beknopte geschiedenis van Nederland,volgens Mathijssen een schoolvoorbeeld van oud realisme. Kennedy zou daarin te veel focussen op tolerantie, koopmanschap en innovatiedrift en te weinig op slavernij, kolonialisme en oorlogsmisdaden. Bij de nieuwe realisten liggen juist de laatste thema’s onder een vergrootglas.
Een van de onderwerpen waarover de meningen sterk uiteen lijken te lopen is het Nederlandse slavernijverleden. Hoe zit het met de stiefmoederlijke behandeling daarvan door de oude generatie, wat zetten de
Daarvoor kunnen we te rade gaan bij Johan Huizinga, de beroemdste historicus die Nederland heeft voortgebracht. In 1929 definieerde hij geschiedschrijving als ‘de geestelijke vorm waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden’. In zijn vaak geciteerde definitie is geschiedenis meer dan wetenschap: deze omvat geschiedkundig onderzoek én geschiedschrijving, maar ook de wijze waarop een cultuur vorm geeft aan haar verleden. Verandert de cultuur, dan verandert haar kijk op de geschiedenis. Hoe zit dat met het slavernijverleden?
***
Pas aan het eind van de achttiende eeuw werden slavernij en slavenhandel onderdeel van een verhit publiek debat – zowel onder wetenschappers als onder activisten. De voorstanders zagen slavenhandel en slavernij als nuttige instrumenten met een beschavende werking, die de slaven de mogelijkheid gaf te ontsnappen uit het chaotische Afrika, waar ze
De activisten wisten niet alleen de publieke opinie maar ook steeds meer parlementariërs voor hun standpunt te winnen en dat resulteerde in de afschaffing van de slavernij. Daarna verstomde de discussie. Slavernij was een afgedane zaak die niet in het collectieve geheugen van het Westen paste, waarin toen het nationalisme hoogtij vierde. Ook in Nederland was men trots op de koloniale bezittingen en op de roemrijke Gouden Eeuw. Er verschenen standbeelden van onder anderen Michiel de Ruyter en Rembrandt
Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleef het slavernijverleden een marginaal onderwerp, zowel in Nederland als internationaal. Er verscheen af en toe een artikel dat in kleine kring werd gelezen. Na de oorlog veranderde dat. Die groeiende interesse hing nauw samen met het dekolonisatieproces dat na de oorlog onder aanvoering van de Verenigde Staten en de Verenigde Naties was ingezet. In Nederland spitste het onderzoek zich toe op drie onderwerpen: de slavensamenlevingen in de West, de marrons in het achterland van Suriname en de trans-Atlantische slavenhandel.
De Surinaamse socioloog Rudolf van Lier zette het onderzoek naar de plantagekolonie Suriname op de kaart met zijn in 1949 verschenen proefschrift Samenleving in een grensgebied. Daarin analyseerde hij hoe de etnisch gesegmenteerde, op slavernij gebaseerde samenleving functioneerde en stelde vast dat groepen vooral naast in plaats van met elkaar leefden.
Veertig jaar na Van Lier publiceerde Gert Oostindie een diepgravende studie over het leven op twee Surinaamse plantages, Roosenburg en Mon Bijou: Twee Surinaamse plantages, 1720-1870. Tal van onderwerpen stelde hij aan de orde: de demografische ontwikkeling van de slavenbevolking, gezondheidszorg, beroepen, sociale gelaagdheid,
Lang heeft het beeld bestaan dat slaven hun lot lijdzaam ondergingen. Dat bleek niet te kloppen
Lang heeft het beeld bestaan dat slaven hun lot lijdzaam ondergingen. Uit studies naar marrons – weggelopen slaven die gemeenschappen vormden in het achterland van Suriname – bleek dat niet te kloppen. Op dat gebied
De archivaris Willem Sybrand Unger is de grondlegger van het onderzoek naar de slavenhandel. Hij publiceerde daarover in 1956 en 1958 twee toonaangevende artikelen. Unger concentreerde zich op de economische aspecten van de slavenhandel, waaronder ruilgoederen voor de inkoop van slaven, het handelsproces in Afrika en West-Indië, en de winst die werd gemaakt. Een zakelijke benadering. De grootste bijdrage aan het ‘meten’ van de Nederlandse trans-Atlantische slavenhandel leverde Johannes Postma. Hij startte een systematisch bronnenonderzoek
Later hebben andere historici diverse aspecten van de slavenhandel verder uitgediept, maar Postma’s werk geldt nog steeds als de standaard. Alle verzamelde data zijn ondergebracht in de internationale database slavevoyages.org, die gegevens bevat over circa tachtig procent van de trans-Atlantische slavenhandel. Onderzoekers en geïnteresseerden kunnen daarin op eenvoudige wijze aantallen uitgerede slavenschepen per land of per periode, aantallen vervoerde slaven, sterftepercentages tijdens de overtocht, herkomstgebieden in West-Afrika, bestemmingen in Amerika en tal van andere zaken opzoeken.
v
Het onderzoek naar en de discussie over het Nederlandse slavernijverleden bleef lang binnen de muren
Dreschers hoop leek bewaarheid te worden: er kwamen monumenten en historici werkten mee aan publieksboeken, tentoonstellingen en educatieve websites. Kortom, het slavernijverleden kreeg een plaats in het collectieve
De toegenomen publieke aandacht stimuleerde ook het wetenschappelijke onderzoek. Zo publiceerden Johannes Postma en Victor Enthoven met een aantal collega’s in 2003 de bundel Riches from Atlantic Commerce, waarin op basis van oude en nieuwe gegevens een reconstructie van de vroegmoderne Nederlandse handel en scheepvaart in het Atlantische gebied werd gepresenteerd. Het bleek dat de op slavenarbeid gebaseerde plantageproductie Nederland economisch meer had opgeleverd dan gedacht. Zo was de Atlantische handel rond 1780 belangrijker dan die op Azië. Nieuw inzicht in de illegale slavenhandel van met name Zeeuwen bood de in 2008 verschenen studie Lorrendrayen op Africa van Ruud Paesie. Dankzij zijn studie en die van ‘oude realisten’ als Johannes Postma weten we dat Nederland circa zeshonderdduizend slaven uit Afrika naar Amerika heeft verscheept. Vast staat dat Nederland verantwoordelijk is geweest voor circa vijf procent van de
Het slavernijonderzoek richtte zich echter niet alleen op de kille cijfers van handel en aantallen verscheepte slaven, maar ook op het leven in de West-Indische koloniën. Enkele jaren geleden verschenen er nieuwe studies over de complexiteit van de slavensamenlevingen in de West. Ellen Neslo promoveerde in 2016 op Een ongekende elite: De opkomst van een gekleurde elite in koloniaal Suriname 1800-1863. Uit haar onderzoek bleek dat de sociale stratificatie binnen de niet-blanke samenleving veel ingewikkelder was dan werd verondersteld. Naast vrijen met een kleine nering die familieleden uit slavernij vrijkochten, waren er ook Afro-Surinamers met plantages en slaven. Han Jordaan publiceerde eerder een vergelijkbare studie over Slavernij en vrijheid op Curaçao.
Het is maar een kleine greep uit de tientallen boeken en artikelen die de afgelopen twee decennia over het Nederlandse slavernijverleden zijn verschenen. Zij gaan over uiteenlopende onderwerpen maar hebben gemeen dat zij voortbouwen op de internationale ontwikkeling van de
Van een revolutionaire verandering is geen sprake, eerder van voortschrijdend inzicht
***
Ruim tien jaar nadat Seymour Drescher de hoop had uitgesproken dat Nederland niet in een zwaar gepolitiseerde discussie over het slavernijverleden à la de Verenigde Staten zou belanden, gebeurde dat alsnog. Zo’n verandering gaat sluipenderwijs maar er zijn wel enkele omslagmomenten aan te wijzen, zoals de aanstelling van de Amerikaanse socioloog Stephen Small in 2010 als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn leeropdracht was het bestuderen van het Nederlandse slavernijverleden en de erfenis daarvan. Small deed in de Verenigde Staten onderzoek naar de Afrikaanse diaspora, racisme en identiteitspolitiek. Specifieke kennis van het Nederlandse slavernijverleden had hij niet, maar dat was blijkbaar geen bezwaar. In 2014 publiceerde Small samen met de uit Suriname afkomstige activist Sandew Hira 20 Questions and Answers on Dutch Slavery and Its Legacy. De bijzonder hoogleraar leek in verbluffend korte
In 2011, een jaar na Smalls benoeming, zond de NTR de vijfdelige serie De slavernij uit, waarin recente onderzoeksresultaten waren verwerkt. De discussie die daarna losbarstte, maakte op niet mis te verstane wijze duidelijk dat de makers van de serie het leed van de Afrikaanse slaven onderbelicht hadden en dat ze de uniciteit van de Atlantische slavenhandel en slavernij tekortdeden door ook hedendaagse vormen van slavernij in beeld te brengen. Volgens activisten een bewust geval van bagatellisering.
In de late herfst van 2011 deed zich nog iets opmerkelijks voor. Tijdens de landelijke sinterklaasoptocht in Dordrecht werden de activisten-kunstenaars Quinsy Gario en Jerry Afriyie,
***
Activisme en het nieuwe realisme in de geschiedwetenschap vloeiden ongeveer tien jaar geleden samen. Karwan Fatah-Black, momenteel de spraakmakendste slavernijhistoricus, vindt dat een goede zaak. Hij treedt veelvuldig op in de media, mengt zich in debatten, publiceert artikelen en boeken over het slavernijverleden en op de website van de Internationale Socialisten, een groep trotskistische activisten. Ook heeft hij een duidelijke mening over de oude generatie vakgenoten. Fatah-Black meent dat het recente ‘baanbrekende’ onderzoek Slaves, Commodities and Logistics,uitgevoerd door
Aan de universiteit bestaan helemaal geen ‘gatekeepers’ en het jaarlijkse Slavery: Annual Bibliographical Supplement laat zien dat het gebrek aan economisch-historische studies over de Nederlandse slavenhandel en slavernij eveneens
Anders dan het artikel heeft het recente onderzoeksproject Slaves, Commodities and Logistics – dat door drie historici van de oude garde is bedacht en begeleid – wel nieuwe inzichten opgeleverd over de impact op de Nederlandse economie van
***
Hoe zit het dan met de bijdrage aan de Nederlandse economie van al die op slavernij gebaseerde activiteiten, waaronder het transport en de verwerking van de door slaven geproduceerde suiker en koffie? Daar hebben de
Dat door slaven geproduceerde plantageproducten in Nederland werden verwerkt, doorverkocht
***
Laten we de balans opmaken van het oude versus het nieuwe slavernijonderzoek. Veel nieuwe realisten bouwen voort op decennia oud onderzoek. Gegevens die historici de afgelopen vijftig jaar uit archieven hebben opgediept, worden gerecycled en soms ten onrechte als de vrucht van eigen onderzoek gepresenteerd. Een blik op de gebruikte literatuur laat zien dat oude kennis wordt gecombineerd met nieuwe inzichten. Van een revolutionaire verandering is geen sprake, eerder van voortschrijdende inzichten. Het ‘revolutionaire’ zit hem vooral in de taal en het gebruik van hyperbolen. ‘Slaven’ worden ‘tot slaaf gemaakten’, ‘slavenhandel’ wordt ‘deportatie’, vijf procent blijkt plotseling de kurk waarop de Nederlandse economie dreef en het verzekeren van slavenschepen leidt onbewezen tot ‘mass murder’. Ook trekken de nieuwe realisten de kleurenblindheid van de wetenschap in twijfel; zij verdelen het slavernijonderzoek in een wit en een zwart perspectief.
Natuurlijk, als
Oude realisten zoals ondergetekenden wordt wel verweten dat zij het Nederlandse slavernijverleden te neutraal, te zakelijk beschrijven. Dat zal zo zijn. Maar vaak wordt vergeten dat verklaren iets anders is dan goedpraten. De huidige trend is dat hedendaagse opvattingen de plaats innemen van moeilijk reconstrueerbare mentaliteiten van eeuwen her. Slavernij is verwerpelijk, maar dachten onze voorvaderen er ook zo over? Met hun ronkende statements, zelfkastijding en het plaatsen van zwart tegenover wit dragen
Piet Emmer werd in 1991 hoogleraar aan de Universiteit Leiden met als leeropdracht ‘Europese expansie en migratie’; zijn bekendste boek is De geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel (Nieuw-Amsterdam, 2019). Henk den Heijer was in Leiden hoogleraar maritieme geschiedenis en publiceerde onder meer De geschiedenis van de West-Indische Compagnie (Walburg Pers, 2002)
| Degroene.nl | Door: Piet Emmer en Henk den Heijer




































