
Voorbereiding zeereis Hindostaanse contractarbeiders van Calcutta naar Suriname
| | Door: Redactie
Inleiding
Nadat de wervers en illegale wervers (arkáthiya’s) de potentiële contractarbeiders in India hadden gerekruteerd werden zij gebracht naar een van de zogeheten subdepots in de grote steden van de staten Uttar Pradesh en Bihar waar zij werden opgevangen. Daar moesten zij na keuring een (voorlopig) contract tekenen met de Nederlandse overheid om in Suriname gedurende vijf jaar te werken. Pas na ondertekening -meestal met een duimafdruk- van dit contract werd door de Nederlandse overheid (geld) geïnvesteerd in deze contractarbeiders.
Zij waren daarna gebonden aan de contractvoorwaarden en waren als het ware Hindostaanse contractarbeiders geworden. Zij kregen daarna gratis voeding, kleding, onderdak en later een treinticket om onder begeleiding af te reizen naar het hoofddepot in Calcutta. Vanuit de havenstad Calcutta bezien was het voornaamste rekruteringsgebied honderden kilometers verwijderd. Toen de emigratie in 1873 naar Suriname begon, was Calcutta al verbonden via een spoorlijn met Delhi. Daarom konden de emigranten uit de
Uit de nabije omgeving, namelijk de staat Bengalen zijn betrekkelijk weinig personen geëmigreerd. Bengalezen bleken in veel mindere mate te willen emigreren of -al was het tijdelijk- in het buitenland te willen werken. Calcutta was tot 1911 de hoofdstad van India. De grens van de aangrenzende staat Bihar ligt 300 kilometer verder van Calcutta. Een van de belangrijke steden waar een subdepot was gevestigd, namelijk Patna, ligt op 522 kilometer: dat wil zeggen de afstand tussen het treinstation van Patna en het treinstation Howrah in Calcutta. De grote steden in Uttar Pradesh waar de subdepots zich bevonden, liggen verder. Benares op 682, Allahabad op 813, Gorakhpur op 859, Fyzabad op 886, Lucknow op 963, Kanpur op 1.007, Agra op 1.267 en Mathura op liefst 1.351 kilometer vanaf het station Howrah in Calcutta.

Treinstation Howrah in Calcutta (nu Kolkata)
Treinreis naar Calcutta
Nadat er voldoende gerekruteerden waren in een subdepot, reisde men in een groep -een zogeheten calan– onder begeleiding van een caprási (een soort professionele boodschapper) of een durwan (bewaker) met de trein naar de havenstad Calcutta waar het Suriname-hoofddepot zich bevond. De begeleider moest zorgen dat hij de groep emigranten veilig en gezond afleverde in het hoofddepot. Hij had een certificaat bij zich waaruit zijn opdracht was af te leiden en administratieve stukken waaronder de voorlopige (werk)contracten. De begeleider had geld ontvangen van de subagent voor de kosten onderweg. Onder meer voor het kopen van voedsel dat langs

Pandit Chandrasekhar Sharma woonde zowel in Suriname als in Guyana. Hij keerde in 1936 terug naar India en overleed daar.
De contractarbeider Chandrasekhar vertelde dat zijn calan in 1893 van het subdepot in Kanpur op de trein werd gezet. Zij juichten toen de bel van de trein luidde en de trein in beweging kwam. Chandrasekhar schreef zelfs een gedicht hierover in het Hindi in dewnágri schrift. Vrij vertaald in het Nederlands gaat het
De trein is rijdende, Dher-Dher
En de krachtige motor doet Dhuk-Dhuk-Dhuká-Dhuk
Tussen het lawaai van de mensen
Gaat de trein rechtdoor, Sanan-Sanan, alsof hij een eigen geheugen heeft.
Vier vingers wijde ijzeren sporen, vier vingers wijde wielen
Bewegen voort met grote snelheid.
Er is geen olifant of paard, er is geen stel ossen dat hem voorttrekt
Noch is er iemand die een zweep hanteert.
Er is alleen een motor die hem voorttrekt op eigen kracht.
Ook de contractarbeider Rahman Khan was verheugd om in 1898 voor het eerst een treinreis te kunnen maken. Hij verbleef na zijn werving liefst drie maanden in het subdepot in Kanpur. De treinreis naar Calcutta werd in etappes afgelegd. Eerst vertrokken zij in een groep van 150 potentiële contractarbeiders naar Lucknow waar zij overnachtten in een herberg. Hoewel het verblijf kort was, heeft Rahman Khan de twee imámbará’s (islamitische heiligdommen) kunnen aanschouwen. Vervolgens gingen zij naar het subdepot in

Munshi Rahman Khan (zittend) was een van de eerste Hindostaanse dichters en schrijvers. Hij heeft ook zijn autobiografie geschreven in het Hindi.
Wanneer er tekorten als gevolg van afkeuringen ontstonden voor één scheepstransport dat op zeer korte termijn moest vertrekken, werden wel kleine aantallen contractarbeiders geworven in Calcutta. Soms zijn emigranten te voet aangekomen in Calcutta. Zo heeft bijvoorbeeld een groep Zuid-Indiërs wekenlang gelopen toen de emigratie uit de havenstad Madras (thans Chennai) was stopgezet, om in Calcutta te worden gerekruteerd. Een
Het Surinamedepot
Het Surinamedepot was gevestigd op Garden Reach nummer 20. Dat was een enorm haventerrein gelegen aan de Hooghlyrivier (in de wijk Kidderpur) in het zuidoosten van de huidige stad Kolkata. De depots en de meeste gebouwen bestaan niet meer. Het depotterrein van het Suriname-agentschap was behalve aan de noordzijde dat aan de Hooghlyrivier grensde aan alle drie overige zijden ommuurd.
Aan de zuidzijde (de straatkant) vormden gemetselde, stenen pilaren verbonden door een houten hekwerk de afscheiding. De west- en oostzijde werden ommuurd door de wanden van de verschillende gebouwen en heggen gemaakt van boomtakken ingesloten tussen bamboelatten. De vloer van de woonloodsen en de ‘voedingsgalerij’ was van aangestampte klei bestreken met in water opgeloste kalksteen dat ook een ‘zindelijk aanzien gaf’. De breedte was 1,80 meter: voldoende om languit te slapen, want bijna geen enkele
Er waren vijf privaten gebouwd van steen en de vloer was gecementeerd. Eén privaat (latrine) was voor de pas aangekomenen en één voor de depotbedienden (personeel). Voor de zieken in het hospitaal was een apart privaat, evenals een apart privaat voor degenen die besmettelijke ziekten hadden (opgelopen). Drie privaten waren in twee afdelingen verdeeld (gescheiden door een muur); het ene bestemd voor mannen en het andere voor vrouwen. Er waren ook aparte urinoirs voor mannen en vrouwen, met gemetselde vloeren.
Verder waren in dienst koks (candhari’s, die tot de kaste der Brahmanen behoorden), barbiers, vuilophalers (topazen), personen die lampen aanmaakten (lampenisten) en ander onderhoudspersoneel. Waterdragers waren

Aankomst in het Surinamedepot
Het verblijf in het hoofddepot was een voorbereiding op de maandenlange zeereis naar Suriname. Na aankomst van een calan in het Surinamedepot, bijna altijd in de ochtend, vond een voorlopige inspectie plaats. De emigranten ontvingen nieuwe kleding en een katoenen deken (molton). In de koude maanden november tot en met januari kreeg men twee dekens. Ook ontving elke emigrant eigen
De emigranten moesten zich in de vroege ochtend binnen een uur melden bij de voedingsgalerij waar een appèl werd gehouden. Zij moesten zich in volgorde in een rij
In volgorde van het nummer waaronder zij in het depotregister waren ingeschreven werden de namen geroepen door de depotklerk. Zo werd dadelijk de afwezigheid van een persoon ontdekt. Daarna was doorgaans een exercitie. Om 9.00 uur werd de bel geluid voor het ontbijt. Na de exercitie en het ontbijt was men vrij, maar men mocht zich niet in de woonloodsen begeven. Meestal bleef men zich op het uitgestrekte terrein in de schaduw van de bomen of in de buurt van de voedingsgalerij ophouden. Om 2.30 uur in de

Pas gearriveerde Hindostaanse contractarbeiders op het terrein van het Koeliedepot in Paramaribo. (Foto Julius Muller)
Voeding en tabak
In het Surinamedepot werd voor de voeding gebruik gemaakt van het zogeheten bhandárásysteem. Het voedsel werd gekookt in grote boilers door Brahmanen en dagelijks verdeeld onder emigranten onder supervisie van de depotdokter. Het bestond doorgaans uit: rijst, dahl (gele linzen soep; er werd ghi/ghiw en een beetje zout toegevoegd) en curry. De curry tarkári werd gekookt van verschillende groenten voornamelijk aardappelen, uien en pompoenen. Ook was er tweemaal per week roti in plaats van rijst. Zondag was er in plaats van groentecurry meestal
Gemiddeld was ongeveer 20% van de hindoes in het Surinamedepot vegetariër; zij werden, als er vlees werd geserveerd, apart bediend.
De emigranten hurkten neer onder de voedingsgalerij en het voedsel werd in hun (tinnen) etensbord uitgeschept. Zij moesten het ter plekke nuttigen en mochten het eten niet meenemen naar de woonloodsen. Gelet op de heersende armoede en soms zelfs hongersnood toentertijd in India was de beschikbaarheid van twee maaltijden per dag een uitkomst
‘Mijn vader die Kalkatiá was heeft niet veel verteld over India en de contracttijd. Wij zijn moslims en eten graag vlees. Hij zei alleen dat hindoes en moslims toen als bhái–bhái (broeders) leefden en dat hij nooit zoveel vlees had gegeten in India als in dipu (depot) en op het schip. En dat ze elke dag moesten trainen. Bhaiyá (Broeder): meer heeft hij echt niet verteld, hoor. Ik vind het jammer, maar hij heeft echt niet veel meer verteld.’
Rahman Khan vermeldt dat hindoes en ook de leden van hoogste kasten geen bezwaar hadden om samen met de personen van de lage kasten en onaanraakbaren en met moslims te eten. De ooggetuige Sanadya –een Brahmaan– vermeldt dat personen van verschillende kasten, als Brahmán, Koli en Camár, werden gedwongen gezamenlijk te eten en water te drinken.
Mevrouw Kokila Sarbar kwam als dertienjarige
‘Je kreeg van alles te eten, roti, groente, schapenvlees, enz. Het was er gezellig en voor je dacht was er een maand voorbij. Op een dag zagen wij een stoomschip aankomen. Wij kregen van de depotbewakers te horen dat wij met dat schip zouden emigreren. Het schip legde niet aan bij het depot maar een eindje verder, aan dezelfde rivier, waar het depot stond.’

Leider Sitalpersad Doobay (in het midden in witte colbert) met Hindostaanse contractarbeiders. Zij waren vrijwel allen jongvolwassenen, namelijk niet boven 30 jaar. (Foto uit Zijlmans; Fotografieën van Suriname)
Dipu bhái en dipu bahin
In het Surinamedepot was sprake van een vlottende
Gelet op het langdurig verblijf in deze gesloten voorziening is het dan ook niet vreemd dat er intensieve banden en relaties ontstonden tussen depotgenoten. Het depot werd door Hindostaanse emigranten dipu(wá) genoemd De banden die toen ter plekke werden gesmeed stonden bekend als dipu(wá) bhái (depotbroeder) en dipu(wá) bahin (depotzuster). Soms uitgesproken als dipwá bhái en dipwá bahin. De meeste emigranten hadden geen familie en waren eenlingen voor wie de nieuwe affectieve banden als het ware een vervanging werd van de familiebanden. Bovendien was men afkomstig uit verschillende dorpen of plaatsen en verschillende kasten, en er was ook verschil in religie (hindoes behorende tot verschillende stromingen en moslims). Er was weliswaar sprake
Ontspanning
Naast de uren die werden besteed aan de maaltijden, de monstering en dagelijkse exercitie werden de emigranten ingeschakeld om lichte werkzaamheden te verrichten in het depot, zoals gras snijden op het depotterrein, het ‘rollen’ van de gazons met grote stenen en het verrichten van kleine herstellingen aan de heggen. Dat gebeurde telkens een uur lang in de ochtend en de namiddag na de maaltijden en stuitte niet op tegenstand. Er waren genoeg vrije uren om zich te ontspannen. Om de
In het Surinamedepot werd al als het ware de culturele heritage geconserveerd en met elkaar gedeeld. Dit zou tijdens de maandenlange reis en ook in de contracttijd in Suriname veel soelaas bieden om de moeilijke tijd door te komen. Niettemin ontstonden er spanningen. Majoor Wiersma schrijft:
‘Ontstaat er een ontevreden geest, die zich wel eens bij hen openbaart, die reeds geruimen tijd in het depot zijn, dan worden
Relaties
De omgang tussen alleenstaande mannen en alleenstaande vrouwen in het Surinamedepot was in principe verboden; zij verbleven ook in aparte woonloodsen. Er werd voor gewaakt dat men zich niet ophield in andere woonloodsen dan waar men was ingedeeld. Er werden ook aparte rijen van alleenstaande mannen en alleenstaande vrouwen gevormd voor het eten. De durwans en sardárs moesten daarop toezien. Maar het is begrijpelijk dat het verblijf van ongeveer 100 alleenstaande vrouwen en 200-300 alleenstaande mannen gedurende gemiddeld 1,5 maand bij elkaar en afgesloten van de buitenwereld tot seksuele spanningen en relaties leidde. Ondanks het strenge regiem van scheiding tussen de seksen onder de alleenstaanden zijn er relaties ontstaan en zijn er
Rahman Khan vermeldt dat hindoemannen behorende tot de hoge kasten relaties aangingen met vrouwen behorende tot groep der onaanraakbaren. Hij stelt dat deze mannen ‘zelfs hun zaad in deze vrouwen impregneerden’. Wij hebben al eerder geconstateerd dat een deel van de gerekruteerde alleenstaande vrouwen onafhankelijke assertieve vrouwen waren, onder wie ook prostituees. Het is begrijpelijk dat zij zich, ook om te overleven in een lichting emigranten waarin vrouwen een kleine minderheid vormden, verbonden met de sterkere en machtigere alleenstaande mannen. Dat waren doorgaans de alleenstaande mannen behorende tot de hogere kasten. Er werden waar nodig voor inscheping ook huwelijken gesloten –zogeheten depot (dipu) huwelijken. Als de alleenstaande vrouwen waren getrouwd hadden zij immers een manlijke beschermer. Door de onevenwichtigheid in het aantal alleenstaande volwassen mannen en alleenstaande vrouwen in het hoofddepot en op de schepen is het zeer wel denkbaar dat de druk op alleenstaande vrouwen groot was. Vooral de kans op
Gereed voor de zeereis
De gecharterde schepen waren al dagen voor de vertrekdatum aanwezig op de kade, zodat alle voorbereidingen konden worden getroffen voor de maandenlange zeereis naar Suriname. Sommige schepen hadden een te grote diepgang en bleven midden op de Hooghlyrivier voor anker. De emigranten werden dan met boten naar het schip gebracht. Maar de meeste schepen meerden af bij de steiger (in het Engels Jetty) waar de inscheping (het embarkement) plaatsvond. Suriname had later een eigen steiger, bekend als Surinam Jetty/Ghát.

Het zeilschip Hereford dat viermaal Hindostanen overbracht naar Suriname, namelijk in 1891, 1893, 1895 en 1896. Hindostanen verbasterden de naam tot Halphut.
Voorafgaande aan de inscheping hield de scheepsarts een nauwkeurige inspectie in het bijzijn van de Indiase depotdokter. Dit kon een paar dagen in
Voordat de inscheping plaatsvond, vond op dezelfde dag de laatste keuringplaats in aanwezigheid van de Britse beschermheer (Protector of Emigrants) der emigranten,

Deze kleding ontvingen de Hindostaanse contractarbeiders in het Surinamedepot te Calcutta.
Voorafgaand aan de inscheping werd alle nieuwe kleding ten behoeve van de reis door
‘Allen zitten neergehurkt, uitgedost in nieuwe kleeren, hebben een grof katoenenzak, waarin de overige kleeding is geborgen… en een blikken keteltje met een hengsel, bestemd voor het drinkvat. Kinderen
Het rood-aarden drinkvat werd in de opening van het blikken keteltje geplaatst zodat het hoogstwaarschijnlijk tijdens de reis als gevolg van het wiebelen van het schip niet kapot kon gaan. Het blikken keteltje dat de vorm van een theepot had, werd gebruikt om de dagelijkse hoeveelheid eigen drinkwater die men ontving in te bewaren.
De contractarbeiders werd, voordat dat zij inscheepten, een tinnen nummerplaatje waarop het nummer vóór hun naam op de monsterrol dat correspondeerde met hun inschrijvingsnummer op het agentschap (i.c. het hoofddepot te Calcutta) om de hals gehangen. Deze patenti of patangi diende om de identificatie te vergemakkelijken en zij moesten deze nummerplaten tijdens de overtocht altijd dragen.
‘Deze nummerplaatjes zijn ronde blikken schijfjes van 5 centimeter middellijn, waar het nummer is ingeslagen; ze zijn

Inscheping
De emigrant-agent, de kapitein en de scheepsarts gingen vervolgens aan boord. In hun bijzijn werden de namen van de monsterrol opgenoemd. De depotklerken en het scheepspersoneel begeleidden de inscheping vanaf de steiger naar het schip. Het instappen geschiedde volgens het monsternummer. Eerst scheepten de alleenstaande vrouwen in; zij gingen naar het achtergedeelte op het tussendek van het schip. Dan volgden de families (gehuwden en kinderen) in het middengedeelte en als laatste volgden de alleenstaande mannen die in het voorste gedeelte werden ingekwartierd. Bij elke tiende emigrant werd even gestopt om alles dubbel te controleren. Majoor
Als men inscheepte tussen 1 maart en 15 september werd een dubbele deken gegeven en in andere perioden kreeg men één deken. Hij vermeldt dat de inscheping van emigranten ordelijk en rustig verliep en: ‘dat zij zonder dwang en kalm gestemd hunne nieuwe toekomst tegemoet gingen. Velen onder de mannen maakten bij het voorbijgaan van den agent en diens klerk voor dezen een salám, als ’t ware of zij afscheid namen van meesters van wie zij eene goede behandeling hadden ondervonden. Een paar malen werd eene enkele vrouw (zonder man) gezien, die bij het betreden van den steiger begon te schreien, maar een vriendelijk tikje op den schouder haar door den agent gegeven gepaard van een opwekkend woord… deed dan de kalmte aldra terugkeeren. Is de laatste man aan boord dan wordt de loopplank op den
Rahman Khan vermeldt dat toen men de dag voor het vertrek met het schip de ‘reisspullen’ had ontvangen, de atmosfeer geladen was en men nieuwsgierig was naar de scheepsreis naar een vreemde wereld.
‘Door onze opgewondenheid en vreugde konden wij nauwelijks slapen en de volgende morgen luidde om 10.00 uur de bel voor het eten, maar niemand leek honger te hebben. Om 3 uur ’s middags waren wij allen aan boord van het schip op het dek en om 4.00 ’s middags werd het anker geheven.’
Een andere ooggetuige vertelde echter dat een deel van de mannen die eerder in de koloniën waren geweest verheugd waren en juichten maar de ‘gewone koelie’

Weergave van het interieur van de meeste Immigrantenschepen. In het ruim werden alleenstaande mannen en vrouwen gescheiden van elkaar ondergebracht.
De Hooghlyrivier die uitmondt in de woelige Golf van Bengalen c.q. de Indische Oceaan was en is echter geen
Emotioneel verlies
Er was natuurlijk groot emotioneel verlies voor de ‘achtergebleven’ familie
De trein werd anjan (engine) genoemd en de spoorwegen railyá (railways). De verhalen over jaháj (zeilschepen en later stoomschepen) waar honderden mensen in werden vervoerd over zeven zeeën (sát samundar pár) naar bides (buitenland) of tapu’s (eilanden) spraken tot de verbeelding, maar genereerden ook angst. Wij moeten beseffen dat er ook terugkeerders waren in India en sommigen uit de koloniën stuurden geld naar hun familie. Maar er waren vooral ook emigranten die nooit meer terugkwamen. Er was bij vele ‘achtergelaten’ familieleden in India dan ook sprake van groot emotioneel verlies als gevolg van de emigratie. Een fragment uit een lied dat vaak werd gezongen
Purubiyá se ái reliyá pacchun se jahajiyá
Piyá keladi lei gai ho
Reliyá ho gai mor sabatiyá piyá ke ladi lei gai ho
Reliyá ná bairi se jahajiyá ná bairi uhai paiswai bairi ná
(De trein kwam van het oosten en het schip van het westen. En nam mijn echtgenoot mee. De trein is mijn medegeliefde geworden die mijn echtgenoot heeft meegenomen. De trein is niet mijn vijand, het schip is niet mijn vijand, mijn vijand is geld).

Het stoom- annex zeilschip de Clive bracht in 1877 327 Hindostaanse emigranten naar Suriname. Bron: National Maritime Museum, Greenwich.
Tot slot
Al met al was de voorbereiding van de zeereis vrij gedegen. Het betrof immers emigranten die door hun arbeid de gedane investering lonend moesten maken. Tot
Een klein deel heeft dat ook gedaan. De grote meerderheid die niet is gedeserteerd en zich naderhand niet heeft teruggetrokken is dus vrijwillig vertrokken. Zij hebben op de vraag van de beschermheer der emigranten of zij vrijwillig vertrokken (rázi he?) instemmend geantwoord en het contract ondertekend. Er zal hier en daar wel enige dwang zijn geweest. Maar dat de meerderheid zou zijn gedwongen of dat er sprake was van dwangarbeiders is
Met dank aan: Padmini Kanhai Mishre
Dit artikel is gebaseerd op de omvangrijke studie C.E.S. Choenni, Hindostaanse contractarbeiders 1873-1920 (2016 • 735 pag.)
Uw reactie kunt u HIER naar toe sturen o.v.v. uw naam en het artikel waar u op reageert.
| | Door: Redactie



































