• woensdag 22 May 2024
  • Het laatste nieuws uit Suriname

Memoires 1986-A(2016)–Willem Oltmans

| snc.com | Door: Redactie

Bron: dbnl.org

Paramaribo

18 juni 1986
Hotel Torarica

Theo heeft gedurende de vlucht naar Suriname gisteren intensief in deel twee van mijn Memoires gelezen. Ik zat naast hem in de business class als gast van minister Henk Herrenberg, en stelde vast dat hij er werkelijk in opging. De enige opmerkingen die hij maakte, gingen over spel- of zetfouten.

Theo is waarschijnlijk de enige Zuid-Afrikaan die op een Zuid-Afrikaans paspoort in Suriname is binnengelaten. We zijn na het ontbijt een uurtje in de stad gaan wandelen om Theo een indruk te laten krijgen. In de middag verwelkomde minister Herrenberg ons hartelijk, als oude vrienden,

op zijn ministerie van Buitenlandse Zaken en sprak Theo ook direct met zijn voornaam aan. ‘We zitten in een revolutionair proces en er worden wel eens foutjes gemaakt, maar wanneer je op die basis met ons wilt werken, welkom!’ Toen we op de minister zaten te wachten, zei een dame van protocol dat de Nederlandse ambassadeur Van Houten zojuist het gebouw had betreden. Hij kwam voor iemand anders. We regelden het zo dat we hem niet hoefden tegen te komen. Daar had ik geen zin in nu.

De minister maakte direct een aantal afspraken voor Theo: met de president van de

Centrale Bank, de voorzitter van de Financieel Economische Commissie (fec), commandant Ivan Graanoogst, met Rob Leter van Index en met de president van de Surinaamse Ontwikkelingsbank. Hij refereerde in die gesprekken aan ‘onze man’, Theo dus. Hij wees op de kop van het blad De West dat net uit was en waarin werd meegedeeld dat alle politieke partijen nu meedoen aan het topberaad. Hij noemde dit belangrijk nieuws en verwachtte een spoedige regeringswisseling.

Ik sloeg toe: ‘Dan is dit een uitstekend moment om Henk de Mari van De Telegraaf te laten komen.’ Ik legde uit nu enige zaken met De Mari te hebben afgehandeld. Er viel best met hem te rijsttafelen. De minister ging akkoord en nodigde nu liever De Mari dan André Spoor uit, zei hij, omdat deze nu bij Elseviers zit, waar enkele idioten een soort oorlogje tegen Suriname voeren zonder te weten waar het over gaat.

Ik draaide het nummer van De Mari in op het toestel van de minister en vroeg hem om zondag met het vliegtuig van de slm naar Paramaribo te komen. Henk kon zijn oren kennelijk nauwelijks geloven. Ik zei dat hij bij consul-generaal Kolader in Amsterdam zijn visum kon halen. Maar Herrenberg wilde alleen Kolader een instructie geven als het zeker was dat De Mari zou komen. Ik belde Henk terug, die antwoordde: ‘Reken maar dat ik kom.’

‘Je ziet,’ zei ik, ‘ik houd mijn woord en lever een “scoupje” voor De Telegraaf. Laten we nu maar eens zien of De Mari ook van zijn kant onze deal zal nakomen in de vorm van een interview met mij in De Telegraaf of een artikel over mijn Memoires.’274 Theo amuseerde zich dat de Nederlandse ambassadeur inmiddels onze etage was gepasseerd naar een ambtenaar een verdieping hoger, terwijl wij met de minister onze plannen maakten.

Het is erg vreemd om hier met Theo te zijn. Henk Herrenberg zei dat hij het komende weekeinde iets met ons samen wilde doen om vooral Theo een indruk van Suriname te geven. Ik hoop dat er niets tussenkomt en hij woord houdt.

274
Ik had kunnen weten dat ook De Mari alleen zou pakken en niets zou teruggeven.

19 juni 1986
Ik lag vanmorgen in bed te bedenken hoe misselijk de houding van André Spoor eigenlijk is in mijn strijd met Den Alerdinck. Ik schreef hem vervolgens dat ik zijn houding in deze affaire dermate beneden peil vind, dat ik hem vanaf nu als een baksteen laat vallen. Na uiteen gezet te hebben hoeveel moeite ik ermee heb gehad mijn mening over hem definitief te herzien, eindigde ik: ‘Maar zoals jij je in deze jegens mij hebt gedragen, terwijl we van het begin van Den Alerdinck alles samen de deden - je bent een basterd geweest’.

Ik heb ook Joop van Tijn geschreven dat ik me verraden voelde tijdens de uitzending van Welingelichte kringen, waarvoor hij

[p. 201]
me op advies van Harry van Wijnen had uitgenodigd om over mijn Memoires te spreken, en waarin hij het etter Hugo Brandt Corstius over de moord op jfk liet beginnen. ‘Eigenlijk kwamen jullie aan mijn Memoires verder niet toe,’ schreef ik. Dus inhoudelijk ben ik teleurgesteld om door een collega op zo'n manier misleid te worden.

Ik had een lang gesprek met Frits Pengel, mijn oude vriend en directeur van de Surinaamse televisie. Hij zei dat iedereen kapitein Etienne Boerenveen al was vergeten en dat talloze mopjes over hem de ronde deden. Zoals? ‘Hij zit vijfjaar in de vs gevangen. Hij wilde altijd al een groene kaart voor Amerika hebben.’ Een andere mop ging over wat hij op de muur van zijn cel had geschreven. ‘Wij Surinamers zijn eigenlijk heel wreed,’ aldus Frits. ‘Zo heb je macht, en zo ben je voorgoed van het toneel verdwenen. Kijk maar naar Erik Tjon Kie Sim, die is weggevaagd. Je hoort helemaal niets meer van de man.’ ‘Ik denk dat hij weer terug is als aannemer,’ zei mevrouw Kobie Pengel. Frits gaat ervan uit dat Erik slim is geweest en smeergelden naar het buitenland heeft weggesluisd. Minister Fong Poen werd vastgezet, maar kwam weer vrij omdat teveel hooggeplaatste personen direct en indirect bij zijn handel en wandel betrokken waren. Fong Poen zou zes miljoen gulden en vijftien miljoen dollar hebben doen verdwijnen. Dat is samen 50 miljoen. ‘Kijk,’ zei Frits, ‘als ze ergens een of twee miljoen in hun zak steken is tot daar aan toe, maar vijftig miljoen valt op.’

‘Kapitein Boerenveen kocht twee huizen,’ zei hij, ‘een van vier ton Surinaamse guldens en een van anderhalve ton. Hoe kan een kapitein van het leger zich zoiets permitteren? Hij was goed bevriend met de onderdirecteur van de slm. Diens vader was een boef, dat wist iedereen. Daar ga je dan toch niet mee om? Wim, je weet niet hoe de militairen nu door het volk worden gehaat. De zaak Boerenveen is bijna nog dieper ingeslagen dan de moorden van december 1982.’ Frits vermoedde dat Jules Wijdenbosch premier zou worden. Henk Herrenberg, eens een goede vriend, zou waarschijnlijk aanblijven. ‘Hij gedraagt zich althans alsof dat het geval zal zijn,’ zei Frits. De fusie met de oude partijen was inderdaad heel belangrijk, zoals ook Herrenberg al aangaf. Maar...275

Theo was van morgen bij Henk Goedschalk, president van de Centrale Bank geweest. Hij was enthousiast teruggekomen van die ontmoeting. Hij zei dat alleen al dit ene gesprek de reis naar

275
Ik maakte deze notitie van het gesprek met Pengel helaas niet af.
[p. 202]

Suriname waard was geweest. Er wordt maandag verder gesproken met Goedschalk. De bankdirecteur had zich beklaagd dat Nederland zich schandelijk tegenover Suriname had gedragen. Den Haag had ook de ontwikkelingshulp kunnen stopzetten met uitzondering van de reeds lopende projecten. ‘Daar zou ik vrede mee hebben gehad, maar zoals Den Haag het gedaan heeft, hebben we extra verlies geleden omdat opgestarte projecten midden in hun loop moesten worden stopgezet.’

Theo vond het kennelijk ook walgelijk zoals men in Nederland met Suriname was omgesprongen, alleen omdat er dingen gebeurd waren die juist naar Haagse normen niet door de beugel konden. ‘Ik denk dat ik maar eens bij Lubbers zal binnenstappen,’ zei hij. Ik stelde voor dat, nu Alexander Sillem voor Duisenberg werkte, we misschien beter die ingang konden benutten.

Goedschalk had verschillende projecten voor Suriname aangesneden. Theo zag de nodige mogelijkheden.

We zouden lunchen met Subhas Chandra Mungra, directeur van de Nationale Ontwikkelingsbank. Bijna drie kwartier na het afgesproken uur kregen we de boodschap dat hij eraan kwam en J. Tsai Meu Chong van dezelfde bank mee zou brengen. Het werd een geanimeerd gesprek. Eigenlijk waren zij concurrenten van het werk waar Theo in Zwitserland mee bezig is.

Er was een project van 20 miljoen op de palmolieplantage Victoria nodig. Mungra zei tegen Theo: ‘Ik raad u aan een project kant-en-klaar hier naar toe te brengen en daarvoor de financiering rond te maken, opdat u ons kunt aantonen wat u voor Suriname zou kunnen betekenen.’ Een ander project van 17 miljoen dollar was in combinatie met een Canadese ontwikkelingsbank ‘bijna rond’. Ik vroeg hoe lang de onderhandelingen hadden geduurd. ‘Bijna twee jaar,’ aldus Mungra.

Ik nam maar een keer het woord, namelijk om erachter te proberen komen wat Dirk Keijer van Investronic in Suriname zou kunnen doen. Zouden ze een veevoederfabriek kunnen gebruiken? Nee, er was behoefde aan een broedplaats om eieren uit te broeden. Een dergelijke onderneming zou een afzetmarkt in het gehele Caribische gebied opleveren. Op dit moment importeert Suriname jaarlijks zeven miljoen eieren. Een broederij zou drie tot vier miljoen dollar kosten. Hetzelfde zou voor pekingeenden kunnen gebeuren. Wat me overigens verbaasde was dat Theo met deze heren openlijk besprak wat hij al bij Goedschalk aan mogelijkheden had afgetast. Ik probeerde hem zo onopvallend mogelijk mompelend te bewegen daarmee te stoppen. La-

[p. 203]
ter toen we alleen waren, zei ik dat de heren in Paramaribo elkaar onderling het licht in de ogen niet gunnen, dus hoe minder hij daarover zou zeggen, hoe beter. Ik haalde voorbeelden aan van de vele bokken die ik op dit gebied in Moskou had geschoten. Ik denk dat het geheim van Keijers succes is dat hij zijn mond houdt. Trouwens, ik herinner me uit het verleden nog dat Romanov Keijer op zijn donder gaf, omdat hij toen nog veel te open was over zijn zakelijke transacties.

Nauwelijks hadden we dit gesprek gehad of het volgende gebeurde. We probeerden aan de balie in Torarica een auto te huren. Een mevrouw Bruning hoorde dit en bood aan ons bij te staan. Theo verdween met de dame en kwam drie kwartier later terug. De afspraak was dat hij deze dame in Nederland in guldens zou betalen voor de huur van de auto. Dit maakte me boos, want dit was een illegale praktijk omdat zij al in Surinaamse guldens had betaald. Ik waarschuwde Theo dat hij zo onze positie in gevaar kon brengen, omdat je tenslotte niet weet wie deze mevrouw Bruning is. ‘Het kan een val zijn Theo.’ Hij antwoordde dat niet hij, maar ik in gesprek was geraakt met deze mevrouw. Dat vond ik oneerlijk. Zij sprak me aan, maar ik maakte geen deal met een vreemde, dat deed hij. Het zou kunnen worden uitgelegd als een valutadeal, iets wat ik nooit ergens doe, want ik wil daarmee geen risico lopen. ‘Ik heb je niet mee naar Paramaribo genomen om in problemen te komen.’ Hij wilde er verder niet over praten en ging zwemmen. Ik raadpleegde Frits Pengel over het incident, die me gerust stelde en zei geen val in de transactie te zien. ‘Iedereen hier is op zoek naar deviezen.’ Ik ging naar Theo's kamer en stelde hem gerust. Roel Martens en Irene kwamen naar het hotel, waarna we een lange autorit zijn gaan maken, onder meer naar de universiteit. We zagen ook het huisje van mevrouw Lisa, de interieurverzorgster van Roel. Het was een soort hut.276

276
Met vereende krachten hebben we Lisa een nieuw huisje bezorgd.
20 juni 1986
Theo heeft me vanmorgen naar de apotheek van de kazerne gebracht om een nieuwe pot kwikzalf voor de Strophulus in mijn oksel te halen.

Toen we bij de Memre Boekoe-kazerne arriveerden voor het gesprek van Theo met commandant Ivan Graanoogst, zagen we een auto gereed staan voor vertrek. Desi Bouterse kwam naar buiten. Ik omarmde hem, en stelde hem aan Theo voor. Het gebeurde spontaan als om te bedanken voor de uitnodi-

[p. 204]
ging aan Theo en mij, die zonder zijn toestemming nooit tot stand zou zijn gekomen.

Theo vertelde later dat Bouterse tijdens zijn gesprek met Graanoogst ook even was binnengewandeld. Hij vond Graanoogst ‘een man met visie’. ‘Hij is wel politiek georiënteerd, maar ik ben het erg met zijn inzichten eens,’ aldus Theo. Hij ging door naar Index voor een gesprek met Rob Leter. Ik nam een taxi naar het hotel.

Ik lunchte met Cliff, de schilder. Hij is een nieuw huis aan het bouwen. Ik heb een zwak voor die dromerige jongen.277

Theo zegt onder de indruk te zijn van de staf van Desi Bouterse, onder wie Graanoogst voor hem het hoogste scoort. ‘Het heeft helemaal niets met een dictatuur te maken. Hun werkelijke onafhankelijkheid is pas na het incident van 1982 begonnen. Ik heb dat ook in Zuid-Afrika gezien, hoe de mensen moesten wennen geen buitenlandse producten te kopen, maar goederen van binnenlandse productie aan te schaffen.’ Hij ziet maandag Rob Leter opnieuw. Index zal enkele projecten gereed maken die Theo mee naar Zwitserland kan nemen om daar bij banken aan de financiering te werken. Het schijnt dat er nog steeds geen gegadigden zijn voor het leveren van lijkkisten van Surinaams hout aan Florida. Theo zegt dat het financieren van twee toestellen voor de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij weinig problemen zal opleveren.

Henk de Mari belde. Hij zal zondagmiddag om 16:00 uur landen op Zanderij. De minister laat hem door protocol afhalen en de vip-room is op de hoogte.

Mam zou morgen negentig jaar zijn geworden.

277
Hij vertelde een nieuw ‘mooi en hoog, zwart paard’ te hebben. Ik zie hem al rijden met zijn lange manen.
21 juni 1986
Vanaf mijn prilste jeugd herinner ik me deze dag als het hoogtepunt van het jaar. Mijn vader had altijd rode rozen koel gezet in de kelders en kwam mam wekken met een boeket. Ik probeerde er met Theo over te praten en herinneringen op te halen, maar hij herinnert het zich niet of wil het zich niet herinneren. Zoals altijd laat hij me praten, maar reageert niet. Heel frustrerend. Hij leest wel in mijn Memoires en zegt van de ene in de andere verbazing te vallen. ‘It is all obviously true,’ aldus Theo, ‘because what you are writing, nobody can invent or make up.’ Ik leefde van 1953-1957 alleen in Europa, terwijl mijn ouders en broers in Kaapstad woonden. Dus wat weten we van elkaar? Vrijwel niets.

[p. 205]
Ik las een interview van Bibeb met Wim Kok.278 Kok deed Wim Kan denken aan de engel Gabriël. Op mij komt hij over als een onzekere, slappe lul. Anderhalve pagina lokaal geklets. Het lijkt wel of de wereld niet bestaat voor hem. Zijn wereld is de vakbeweging en Den Uyl, Van Agt, Lubbers en de Haagse kliek, vastgeroest in onderling gekrakeel.

In de vs keurt 68 procent van de ondervraagden het beleid van Ronald Reagan goed. Ze weten niet beter. De media falen.

René de Bok is naar Djakarta geweest en heeft zijn wijsheden over Indonesië en Suharto in Elseviers gezet. Titel: voorspel van een crisis.279 Was het maar waar.

Time wijdt een heel nummer aan ‘freedom first’. Die Amerikaanse vrijheid wordt onderstreept met de feiten dat het land 9.144 kranten heeft, 11.328 tijdschriften, 9.824 radiostations en naast 941 commerciële televisiestations ook 300 zogenaamde publieke televisiestations. Amerikaanse uitgevers drukken 50.000 nieuwe boeken per jaar. ‘The Eskimo has hundred words for snow - such are the subtleties he detects in its color and tone and depth and temperature. On that principle, we should have 500 words for freedom.’

Vrijheid - en het beroemde beeld bij de ingang van de New Yorkse haven - is het handelsmerk van Amerika. En free zijn ze. Maar tegen welke prijs? Wanneer vrijheid en democratie zouden betekenen het participeren in de macht, is dit wat de vs betreft meer dan een lachertje aangezien er jaren zijn dat minder dan veertig procent van de kiesgerechtigden gaat stemmen, als gevolg van een gevoel van hopeloosheid jegens ‘het systeem’. Het is waar dat de zogenaamde vrijheid indirect tot gevolg heeft gehad dat Amerikaanse wetenschappelijke instellingen, zoals Time zegt, ‘the envy of the world’ zijn. Sinds de Nobelprijzen in 1901 voor het eerst werden toegekend, sleepten de Amerikanen 142 prijzen in de wacht, 38 procent van het totaal. Groot-Brittannië, met haar archaïsche koningshuis, was tweede met 63 prijzen. Dat zegt niet alles, maar wel heel veel over deze freewheeling society die Amerika heet.

Waar ze ook ‘vrij’ in zijn is overal ter wereld onrust te stoken met hun maffia- en chantagepraktijken. Hier heb ik trouwens in 1979 in Amerika valt een boekje over open gedaan.280

Tussen de bedrijven door lees ik Hobson uit. Er staat zoveel in, het is overweldigend omdat het dikwijls alledaagse zaken betreft die we als vanzelfsprekend aannemen, maar die dit aller-

278
Vrij Nederland, 14 juni 1986.
279
Elseviers, 14 juni 1986.
280
Amerika valt, Loeb & van der Velden, Amsterdam, 1979.
[p. 206]
minst zijn. Hij schrijft bijvoorbeeld over Sir Francis Galton (1822-1911), een psycholoog die op ontdekkingsreis naar Afrika ging. Galton analyseerde zijn denkprocessen terwijl hij van de Athenaeum Club naar St. James's Street wandelde. Tijdens die korte wandelingen ‘his mind travelled through experiences of his whole life.’ ‘No-one,’ stelde Galton, ‘can have just an idea, before he has carefully experimented upon himself, of the crowd of unheeded half-thoughts and faint imagery that flits through his brain, and of the influence they exert upon his conscious life.’ De ideëen die opkwamen ‘were by no means atomic elements of thought. They were frequently glimpses over whole provinces of mental experiences and opened far vistas of association that we know to be familiar to us, though the mind does not at the moment consciously travel down any part of them.’ Galton concludeerde ‘that we would not rise above the level of idiots if our brain-work was limited to that part that lies well within our consciousness.’ Hoe langer hij experimenteerde, hoe minder respect hij had voor de invloed van het bewustzijn. Er staat zoveel meer waardevols in dit boek om over na te denken. Gisteren had ik nog nooit van Galton gehoord.

Hoofdstuk acht ‘Seeing’ is een complete openbaring. Hobson schrijft over hoe ogen soms ‘emotional contact’ zoeken en hoe ‘the language of the eyes’ centraal staat in alle menselijke relaties tot en met persoonlijke gesprekken toe. ‘Try looking deeply and intensely into the eyes of someone you do not know well. You will become aware of the deep-seated taboo on the look of intimacy.’

Anthony Lewis bespreekt het bezoek van een commissie van de Commonwealth aan Zuid-Afrika onder de titel only negotiations can prevent millions from dying.281 De commissie ontmoette ook Nelson Mandela en raakte erg onder de indruk van zijn persoonlijkheid. Mandela zou hebben benadrukt geen communist te zijn maar een nationalist. Misschien is het waar dat Mandela bij nader inzien - want tijdens zijn proces begin jaren '60 sprak hij anders, zelfs over een communistische revolutie - nu pur sang nationalist is. Maar Alan Cowell herinnerde er in The New York Times onlangs aan dat 23 van de 30 leden van het National Executive Committee van het anc ‘are known to have present or past association or membership with the South African Communist Party’.282

281
International Herald Tribune, 17 juni 1986.
282
Deze informatie was afkomstig van de regering in Pretoria maar waarschijnlijk wel waar.
[p. 207]
Pretoria zal voor de ‘wereldconsumptie’ van het verhaal de communistische invloed bij het anc extra benadrukken en de nationalistische elementen in de bevrijdingsbeweging proberen weg te poetsen. Dan kan Pretoria zeker rekenen op sympathie en steun van simpletons als Reagan & co. Anderzijds schrijft Cowell dat bijvoorbeeld een deel van het zwarte woonoord Alexandria bekend staat als Cuba, juist omdat men zich vereenzelvigd heeft met Fidel Castro, ook een amice van Mandela blijkbaar. Ik hoop nog dit jaar zelf te gaan kijken. Ik geloof niet dat ik het vermeldde: op 11 april is me een visum toegezegd, gevolgd door een brief van 5 mei 1986, die er op wijst dat ik langer zal kunnen blijven, als ik dit zou willen.

Derk Sauer van de Nieuw Revu belde. De verslaggevers Storms en Wessel die donderdag waren vrijgelaten, zijn opnieuw gearresteerd. De reden zou zijn dat zij met de Robin Hood, die Ronnie Brunswijk heet, contact hadden gehad terwijl deze door de Surinaamse politie wordt gezocht. Of ik wat wilde doen. Tegen betaling van 2.500 gulden wil ik best namens de hoofdredacteur hier in het geweer komen, maar de tijd dat ik alles voor niets deed is voorbij.

Theo is naar de dierentuin geweest. Hij wilde de jaguars zien. Hij zat onder de modder maar had zich geamuseerd en veel foto's genomen, onder anderen van ocelotten. Nu ik hem weer een aantal dagen meemaak, constateer ik toch, en met spijt, dat hij wispelturig kan zijn. Op de vraag of ik hem volledig vertrouw, zou ik negatief moeten antwoorden. Ik geloof heus wel dat hij onze overeenkomst om samsam te delen wat we als consultancy fee zouden krijgen voor bijvoorbeeld het leveren van twee jets aan de slm, zal honoreren. Maar als hij in de gaten krijgt op het verkeerde paard te hebben gewed, zal hij gaan draaien. Anyway, so far, so good.

Eigenlijk ben ik nog nooit van een mens echt, helemaal zeker geweest. Peter, mijn intiemste vriend tot nu toe, die ik ook het langste ken, hoeveel ik ook van hem houd, echt zeker ben ik nooit van hem geweest. Mam zei dan wel eens: ‘Hoe kan hij je beste vriend zijn als je niet echt op hem kan rekenen?’ Maar op wie wel? Eduard? Na wat er allemaal de afgelopen jaren is gebeurd, hoe begrijpelijk ook, heb ik steeds het gevoel gehouden dat hij het nodige uit zijn leven achterhoudt, niet aan me vertelt. Het gaat dus niet om onwaarheid, maar om niet volledig delen. Het is zijn goed recht. Maar het maakt de relatie onevenwichtig, want ik zeg hem letterlijk alles. Mijn ouders zijn altijd een vraagteken gebleven. Mejuffrouw Buringh Boekhoudt? Ook. Als het erop aankwam, ging Beatrix voor. Van-

[p. 208]
wege mijn slechte naam wilde ook zij liever niet publiekelijk met mij geassocieerd worden, dat is dan je ‘tweede moeder’. Vertrouwen en zekerheid bestaan niet, zo eenvoudig is het. Dit zal mezelf ook wel betreffen, want onderaan de streep zijn onze hoofden fundamenteel in chaos. Je moet de vraag dus helemaal niet stellen en aan wat anders denken.

22 juni 1986
Met het afkondigen van de noodtoestand in Zuid-Afrika op 12 juni, zijn ook nieuwe beperkingen voor de pers bekendgemaakt.

illustratie

Ik bracht Theo koffie op zijn kamer, nadat ik tijdens het douchen tegen mezelf had gezegd dat ik lief voor hem moest zijn. Minister Henk Herrenberg kwam ons al vroeg halen. We reden naar Coronie, en staken de Coppename over met de pont. Theo genoot van de trip. Ik vond het allemaal wel aardig, maar ik ben meegegaan uit beleefdheid tegenover Herrenberg. Ik zou liever hebben gelezen. We hebben allerlei mensen ontmoet, waaronder een vogeltjeshandelaar, wat een afschuwelijke bezigheid. We hebben veel foto's genomen.

Onderweg benadrukte Herrenberg dat hij het liefste een post in de achtergrond bekleedde, maar dat hij nu eerst Bouterse en de revolutie moest beschermen. Ik bracht het onderwerp Boerenveen naar voren, maar daar zeilde hij behendig omheen. Suriname had een vooraanstaand advocatenkantoor in New York in de arm genomen dat inderdaad nogal duur was. Ik zei

[p. 209]
gehoord te hebben dat Boerenveen voornamelijk nog vast zat omdat Paramaribo zijn advocaten nog niet had betaald. ‘Ik heb ambassadeur Halfhide uit Washington teruggeroepen. Ik spreek hem morgen. We zullen zien,’ aldus de minister. Hij had geen bezwaar als Henk de Mari de kwestie met Halfhide zou bespreken. Ook toen ik over Harvey Naarendorp begon, hield hij zich op de vlakte. Hij zou zelfs de ambassade in Mexico gaan sluiten. ‘Te duur en er komt te weinig uit.’ Ik suggereerde dat Harvey misschien ambassadeur in Den Haag zou kunnen worden. ‘Nee, dat kan niet,’ antwoordde Henk, ‘hij was immers minister van Buitenlandse Zaken tijdens het zogenaamde bloedbad van 1982.’

Herrenberg had Eegje Schoo in New York niet ontmoet. ‘Er was wel een kleine lobby voor een gesprek aan de gang, maar ik ben er niet op ingegaan. Weet je dat deze mevrouw Schoo de hoogst denkbare Indonesische onderscheiding heeft ontvangen?’

‘Nee, dat heb ik gemist. Het verwondert me overigens niet, want Nederland slooft zich al decennia lang uit om de fascistische massamoordenaar van Indonesiërs en zijn militaire regime op de been te houden.’

‘Dan moet je naar haar schijnheilige pleitrede in New York luisteren,’ zei Herrenberg, ‘waarin zij om hulp voor Afrika heeft gevraagd. Dit moet je dan afwegen tegen wat Den Haag met Suriname doet. Ik kwam oud-ambassadeur Hoekman daar ook tegen. Die heb ik wel begroet.’

‘Ja, maar die weet hoe de vork hier echt in de steel zit, maar naar hem luistert het Haagse apparaat niet.’

Henk had in New York wel met minister Genscher van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland gesproken. Die had gezegd: ‘Dann kommen Sie doch nach Bonn.’

Hij wilde rond 20 augustus ook naar Djakarta gaan voor bilaterale gesprekken. Soms nam Henk foto's van Theo en mij, zoals op de pont. Hij vertelde tijdens de oversteek over zijn bezoek aan Peking. ‘Toen ik tegenover mijn Chinese ambtgenoot zat en naar hem luisterde, dacht ik: die man spreekt namens een miljard mensen, ik namens 400.000. Als je ziet wat in China tot stand wordt gebracht, dan moeten wij er toch in kunnen slagen Suriname tot ontwikkeling te brengen. Anders zijn we het niet waard deze revolutie te leiden.’

Ik bracht de verslaggevers van de Nieuwe Revu ter sprake. Hier was hij kort en bondig over. ‘Dat zijn geen journalisten, maar misdadigers. Wij hebben nu de bewijzen dat ze erin slaagden Brunswijk, die in Nederland Robin Hood wordt genoemd

[p. 210]
omdat hij hier banken heeft overvallen, aan een vals paspoort te helpen opdat hij kon wegkomen.’

De minister noemde Fred Derby, de vakbondsleider, die bij de december-affaire in 1982 door Bouterse werd gered, ‘gevaarlijk en op macht belust.’ Ik kan me dit voorstellen, want de man zigzagt voortdurend in verschillende richtingen en er valt niet te voorspellen wat hij in zijn schild voert. Of hij gevaarlijk is? Misschien. We spraken ook over René Vaarnolds idee om in het binnenland geneesmiddelen te verbouwen voor de bestrijding van aids. Toen ik zei dat Vaarnold ook wel eens over de mogelijkheid van cocaïne had gesproken, reageerde Herrenberg op deze suggestie nogal fel. ‘Daar ben ik honderd procent tegen. We zijn een veel te klein land voor iets dergelijks. Bovendien zouden we met het binnenhalen van de cocaïne maffiose moord-en-doodslagpraktijken binnen onze grenzen halen. Wat zou er dan met onze jeugd gebeuren? Zoiets houd je hier niet geheim. Dan zou Nederland terecht zeggen: zie je wel, het zijn drugssmokkelaars.’283 Theo was blij met deze overduidelijke stellingname van de minister en zei het volledig met hem eens te zijn.

Desi Bouterse hield vanavond een televisietoespraak die niet veel om het lijf had. De regering van Wim Udenhout is nu demissionair en tegen midden juli zal er een nieuwe Surinaamse regering komen.

Wij zijn zo trots op Fokker,

illustratie

maar Israël heeft de Lavi - Hebreeuws voor jonge leeuw - in de lucht gebracht. Het toestel kwam tot stand met behulp van het Pentagon en een financiele injectie van twee miljard dollar, die niet moet worden terugbetaald. Nu is er keet en wil Washington toch centen zien. Israël wil 300 van deze vliegtuigen zelf bouwen. Ze zullen 15,5 miljoen dollar per stuk kosten en werk verschaffen aan 7.000 arbeiders.284
Henk de Mari is gearriveerd. Hij zei de negen uur van de overtocht in het vliegtuig over Suriname te hebben gelezen. Dan zou hij dus goed op hoogte moeten zijn. Bij navraag bleken de gesprekken van André Spoor en Jouke Mulder met Bouterse niet in zijn map te zitten. ‘Ik weet natuurlijk niet veel meer over Suriname dan dat ik in de krant heb gelezen,’ aldus De

283
De plannen van Vaarnold schijnen op een bandopname te staan, want ik schreef in mijn dagboek: ‘Zal die tape nog maar even niet geven.’
284
The New York Times, 18 juni 1986, John Cushman.
[p. 211]
Mari. ‘Ik moet de krant trouwens bellen om erop aan te dringen dat Burlage zich deze week koest houdt over Suriname, terwijl ik hier ben. Je weet hoe Burlage werkt. Hij verzint er gewoon van alles bij wanneer een bericht binnenkomt. Soms belt hij eerst nog even met Chin A Sen. Dat is zijn methode van schrijven,’ aldus Burlage's collega van De Telegraaf.

Ik vroeg Theo wat zijn indruk was van De Mari. ‘Dat weet ik niet. Ik heb nog geen indruk van wat De Mari werkelijk denkt,’ zei hij.

Herrenberg vertelde tijdens onze trip dat zijn vader een Hernhutter-dominee was geweest. ‘Mijn vader dreigde me altijd als ik stout was geweest, dat hij me naar de Hernhutters in Zeist zou verbannen,’ zei ik. Theo gaf me later op mijn kop dat ik veel te veel vloekte en dat ik hier bij domineeszoon Herrenberg meer rekening mee zou moeten houden.

Ik liep in het hotel tegen ambassadeur Halfhide aan, de Surinaamse vertegenwoordiger in Washington. Hij verwachtte dat de zaak Boerenveen in Miami in een paar weken kon worden opgelost. Ik drong er bij hem op aan The New York Times-verslaggever Joseph Treaster naar Suriname uit te nodigen.

23 juni 1986
Henk Herrenberg schijnt al om 06:30 uur in het hotel te zijn geweest om het personeel te vragen niet honderduit tegen De Mari te kletsen. Dit werd kennelijk in acht genomen, wat Theo allemaal buitengewoon grappig vond. Wat me overigens opviel, was dat toen ik aankondigde ook een bezoekje bij ambassadeur Van Houten te willen brengen, de minister zei: ‘Niet doen. Van Houten betaalt toch niet de helft van je vliegticket.’ Die uitschieter verbaasde me. Ik heb prompt om 11:00 uur een afspraak met de ambassadeur gemaakt. Tegenover Herrenberg vond ik dit vervelend na wat hij had gezegd, maar ik laat me niet onder druk zetten. Zeker niet door over geld te beginnen. Hij moet me langzamerhand vertrouwen. Ik zal hem ook zeggen dat ik wel ben gegaan.

We hebben een lacherig ontbijt met Henk de Mari gehad. Theo betwijfelde of De Mari voldoende over Suriname weet om erover te kunnen schrijven. ‘De Mari zou in zijn artikel moeten aangeven dat zijn indruk is dat Bouterse oké is,’ zei Theo. Ik maakte duidelijk dat een positief geluid over Desi in De Telegraaf nu eenmaal ondenkbaar was. Dat hij nu door mijn actie Henk de Mari binnen te brengen in die krant aan het woord zal komen, is op zichzelf uniek. De Mari wil een artikel schrijven rondom het thema ‘De wereld volgens Desi Bouter-

[p. 212]
se’ en er desnoods zes halve pagina's aan wijden. Intussen rept hij met geen woord over een mogelijke tegenprestatie, bijvoorbeeld door een gratis abonnement op zijn krant aan te bieden, om over een interview met mij maar niet te spreken.

De Mari vraagt me bijvoorbeeld de volgende dingen: ‘Moet ik een das om naar Herrenberg?’

‘Ja, hij is de minister van Buitenlandse Zaken en dat zou je bij Van den Broek ook doen.’

Hij zei ook: ‘Ik ben al twaalf uur in Suriname en ik heb nog geen afspraak met Bouterse. Wat heb je geregeld?’

Ik bezocht de ambassadeur die anders was dan voorheen. Er ontstond een prettig en vertrouwelijk gesprek. Van Houten noemde zijn huidige post interessant vanwege de talrijke ontwikkelingen die plaats hadden. Ik vertelde hem dat Henk de Mari was gearriveerd. Hij was gaarne bereid hem te ontvangen om hem achtergrondinformatie te geven. Daarop sneed ik, ook terwille van Derk Sauer en mijn vrienden bij de Nieuwe Revu, de kwestie van de twee opnieuw gearresteerde verslaggevers aan.

‘Zegt u niet dat u het van mij weet,’ zei Van Houten, ‘maar ik zou mij de volgende constellatie kunnen voorstellen. Brunswijk heeft een bankoverval uitgevoerd in St. Laurent. Minister Herrenberg zou hier contact over kunnen hebben met de Franse ambassadeur omdat het mij mogelijk lijkt dat Brunswijk uit Nederland wordt uitgewezen om op een vliegtuig naar Parijs te worden gezet, om vervolgens door de Franse autoriteiten te worden opgepakt voor de bankoverval in St. Laurent. Op die manier zou Brunswijk in Frankrijk gevangen worden gezet.’ Hij had er kennelijk geen bezwaar tegen als ik deze opzet aan minister Herrenberg zou overbrengen.

Ik liep regelrecht van de Nederlandse ambassade via het plein naar het ministerie van Buitenlandse Zaken. Herrenberg hoorde de geheime boodschap van Van Houten aan en liet een secretaresse binnenkomen aan wie ik bovenstaande tekst dicteerde en ondertekende.

De minister pakte de telefoon en belde Van Houten op. ‘U hebt mij een koerier gezonden.’ De ambassadeur gaf ten antwoord dat hij alleen maar wat met mij had zitten praten. Tot verbazing van Herrenberg en mij bevestigde Van Houten slechts de helft van mijn ‘boodschap’. Hij repte er met geen woord over dat Brunswijk in Nederland was en zei evenmin iets over de combine Brunswijk via een truc in Frankrijk vast te laten zetten. Herrenberg vroeg de ambassadeur om naar het ministerie te komen. De ambassadeur gebruikte bewoordingen

[p. 213]
als ‘omdat onze betrekkingen zijn opgeschort, zijn onze landen een Luilekkerland voor criminelen.’ De ambassadeur bevestigde, mede na de affaire met de Heineken-ontvoerders, dat er een nieuw uitwisselingsverdrag met Frankrijk was gesloten. Hij herhaalde niet wat hij mij had gezegd, namelijk dat via het inlichten van de Franse ambassadeur, Brunswijk in Parijs kon worden opgepakt op de weg terug naar Cayenne. Diplomaten bewandelen toch wel heel andere wegen dan een journalist.

Overigens heb ik ook bij de ambassadeur de affaire van zijn medewerker Paul Z. aangesneden, die Surinaamse homo's naar Nederland hielp en feestjes gaf om nieuwe gegadigden te recruteren. ‘Un homme averti en vaut deux.’ Als Roman Bhagwandin er werkelijk achterheen zou gaan om zijn vriendje Prim in Paramaribo te houden, heb je het gedonder in de glazen. Herrenberg wilde er zelf verder geen werk van maken, maar was het met me eens dat het correct was Van Houten te waarschuwen voor mogelijke complicaties.

Intussen een vliegende keet met De Mari, die er blijkbaar vanuit was gegaan dat de rode loper van Bouterse voor hem uitlag. Ik probeerde enige druk op Herrenberg uit te oefenen, die zei: ‘Laat hem eerst maar even wachten. De bevelhebber zit met een demissionair kabinet.’ Om zijn tijd te vullen, was De Mari eerst naar sergeant Doedel gestuurd om zijn persaccreditatie in orde te maken. Hij bleef zich aan het lijntje gehouden voelen, wat ook wel waar was. Intussen moet De Mari's eerste woord van dankbaarheid omdat hij hier zit nog over zijn lippen komen. Ik kwam hem in het hotel weer eens tegen en hij zei verwijtend: ‘Ik heb nog niets.’ Ik reageerde luchtigjes: ‘Je bedoelt dat je nog geen vaste afspraak met Bouta hebt?’

‘Nee, ik heb nog niets,’ ging hij door.

Toen verloor ik mijn geduld. Ik zei: ‘Een hengst blijft een hengst. Je hebt me nog met geen woord bedankt voor je visum, het protocol bij je aankomst, je perskaart, ontvangen worden door Herrenberg, je begrijpt er eigenlijk helemaal niets van. Neem een ander maar in de maling!’ Daarop liep ik weg. Toen ik terug was in mijn kamer kreeg ik een boodschap van de minister, om nog even naar het ministerie te willen komen. Hij had met Desi Bouterse de ‘geheime boodschap’ van ambassadeur Van Houten blijkbaar overlegd. Wat ze kennelijk wilden weten voor ze de Franse ambassadeur zouden raadplegen, was hoe zeker het was dat Den Haag Brunswijk op een vliegtuig richting Cayenne via Parijs zou zetten. Ik had Simone Bakker, de secretaresse van Van Houten, reeds gebeld om erachter te komen hoe lang de ambassadeur nog op kantoor zou

[p. 214]
zijn. ‘Hij blijft nog wel even,’ antwoordde zij. Terwijl Henk met de bevelhebber overlegde, zat ik alleen in zijn werkkamer op het ministerie. Ik luisterde via de walkman naar Debussy en dacht aan de tijd dat ik in diezelfde kamer met zijn voorganger Erik Tjon Kie Sim had gesproken.

Theo kwam intussen terug van een uitvoerig gesprek met Atta Mungra, de directeur van de slm. Hij was verontwaardigd en woedend over wat hij had gehoord hoe de klm met de slm en haar functionarissen was omgesprongen. Ik wist van Mungra zelf dat hij Orlandini in eigen persoon zelfs nog nooit te zien had gekregen. Maar Theo zei: ‘De klm heeft zich jegens de slm misdragen als zes- of tienjarige jongentjes doen die elkaar pesten. Het is absurd wat er allemaal is gebeurd. Schandalig.’ Ik belde Atta Mungra meteen op. Ik zei dat De Mari in Paramaribo was en of hij nu niet de kans wilde benutten om de zaak op straat te krijgen. Dat wilde hij niet in dit stadium, voornamelijk om tactische redenen. Mungra wil twee toestellen herfinancieren, vertelde Theo. Het gaat voorlopig om tien miljoen dollar. Volgend jaar wil de slm zelf voor 100 miljoen een toestel kopen om met de klm te kunnen concurreren.

De Sovjetdiplomaat Boris Zhilko kwam naar Torarica. We hebben 50 minuten zitten praten. Ik gaf hem een kopie mee van mijn overeenkomst met Velikhov om een boek te schrijven om aan ambassadeur Igor Bubnov te geven. Boris reed me naar Van Houten. Toen ik terugkwam in het café van Torarica, zaten Theo en De Mari geanimeerd te praten. Ik hield mijn hart vast, maar het onderwerp was Zuid-Afrika geweest. Henk droop af zonder mij te groeten. Ook later liep hij me in het hotel met zijn leren handtasje straal voorbij. Sinds hij met Heidweiller heeft gesproken, schijnt hij het gevoel te hebben zijn zaken verder zonder mij te kunnen regelen. Gisteren zei hij nog: ‘Onze krant heeft door met jou sinds 1956 ruzie te maken een goudmijn misgelopen.’ Ja, dat weet ik ook wel.

Theo was op de Centrale Bank geweest en morgen zal hij daar Goedschalk en Leter ontmoeten. Hij heeft waarschijnlijk toch het juiste beleid gevoerd. Ik weet ook eigenlijk van zaken doen geen moer.

Minister Herrenberg liet een aardige brief in het hotel afgeven. Ik ben er blij mee.285

285
Zie bijlage 54.
24 juni 1986
Minister Herrenberg was al om 05:30 uur in Hotel Torarica

[p. 215]
om ons af te halen voor een rit naar de palmboomplantage Victoria. We vertrokken om 06:00 uur in een stationwagon met chauffeur van het ministerie. Theo zat voorin. Ik legde uit dat ik met Henk de Mari was gebotst omdat hij nerveus was Bouterse helemaal niet te spreken te krijgen. ‘Laat maar aan mij over,’ zei Henk, ‘ik weet hoe ik met Hollandse makrelen moet omspringen.’

De palmolie-industrie vind ik geen interessante nering, maar Theo was juist hevig geïnteresseerd in de aftandse fabriek. Nadat we daar hadden rondgekeken, reden we naar Berg en Dal, een verpieterd dorp midden in het Surinaamse bos. We hebben zowel op de heen- als op de terugweg intens met elkaar gesproken en waren om 11:00 uur weer in het hotel. We hebben de moeite die Herrenberg heeft willen doen, vooral om Theo iets van het land te laten zien, erg geapprecieerd en dit ook niet onder stoelen of banken gestoken.

Bij terugkomst zag ik De Mari verwoed zitten schrijven. ‘Ik weet nu zeker dat je je gesprek met Desi Bouterse zult krijgen, dus je trip is geslaagd.’

‘Wanneer?’ vroeg hij koeltjes.

‘Dat weet ik niet, maar je krijgt het.’

Herrenberg liet later weten dat het gesprek tussen Bouterse en De Mari donderdag zou plaatsvinden. Ik ben naar zijn kamer gegaan en gaf hem het nieuws. ‘Fantastisch,’ zei hij nu. Onze botsing bleek eigenlijk het gevolg van zijn ontmoeting met Henk Heidweiller in Fort Zeelandia. ‘Heidweiller heeft een uur lang Nederland dermate afgekraakt en op zo'n onsympathieke manier,’ zei hij, ‘dat ik pisnijdig geworden was, ook al had de man gedeeltelijk gelijk. Toen hij ook nog in twijfel trok of ik Bouterse te spreken zou krijgen, was ik helemaal uit mijn humeur. En toen liep ik ook nog tegen jou aan. Daarom reageerde ik zo en omdat je nooit iemand laat uitpraten, kon ik je het op dat moment dus ook niet uitleggen.’ Ik zei dit nu uitstekend te begrijpen en blij te zijn dat de botsing uit de wereld was geholpen. ‘Mijn vriend Peter zegt altijd dat botsingen er zijn om mensen dichter bij elkaar te brengen.’

Theo heeft zijn gesprek op de Centrale Bank gehad en is met vrienden van Roman Bhagwandin naar een maïsproject gaan kijken. Hij bleef erg lang weg. Ik werd ongerust. Toen hij kwam opdagen, hebben we nog een bezoekje bij de Herrenbergs thuis gebracht. Theo stond erop een bloemetje voor Carmen mee te nemen.

De Mari had me gezegd, en hij scheen het een trouvaille te vinden, dat zijn openingsvraag aan Bouterse zou zijn: Hoe voelde

[p. 216]
u zich toen u met uw militaire kameraden indertijd met de armen omhoog bij Henck Arron op de stoep stond?

Hoe kom je erop. Tenzij je wilt scoren omdat je het mapje Suriname hebt bestudeerd. En de vervolgvraag: Hoe kan het dat diezelfde Arron nu weer in het topberaad zit?

Henk maakte een paar notities, maar reageerde niet op de absurditeit van een dergelijk begin. De Mari zei me te zullen bellen hoe het was gegaan, ‘daar heb je recht op.’ Ik antwoordde: ‘Ik heb op niets recht. Het contact dat ik voor je legde, heb ik niet voor jou of Bouterse tot stand gebracht maar voor de mensen in Nederland en Suriname die er recht op hebben naar waarheid te worden voorgelicht. Ik doe intussen alles voor jou, maar je houdt je aan geen enkele belofte ook iets voor mij te doen.’

25 juni 1986
Paramaribo - Amsterdam
We waren bijna in de economy class teruggereisd, maar ik zette mijn voet dwars. Tenslotte hebben we ons voor Suriname ingezet en mogen er best iets voor terugvragen. Ik geloof dat Theo de trip als zeer plezierig en vooral ook nuttig heeft ervaren. Hij begint meteen met het organiseren van de financiering van de twee vliegtuigen voor slm.

We hebben bij het ontbijt vanmorgen veel samen gesproken. Hij is op pagina 278 van mijn Memoires. Hij vindt het jammer dat er ‘honderden’ zet- en taalfouten in het boek zitten. Toch staan we nu anders tegenover elkaar. Het is eigenlijk erg vreemd dat deze reis naar Suriname ons veel dichter tot elkaar heeft gebracht, ook zakelijk gezien. Hij vertelde details over zijn verblijf in Rhodesië, waar hij voor Unilever werkte, die mijn ouders en zijn vrouw Nellie ook nooit hebben geweten, en hoe hij een reis naar Mozambique maakte. Hij vroeg me er niets over op te schrijven, wat ik dus niet heb gedaan.286 Ook vroeg hij zich af waarom wij dingen dikwijls zo verschillend zagen, terwijl we hetzelfde dna hadden. Hij herhaalde dat het verslag van Atta Mungra over de treiterpartijen van de klm hem het meest had opgewonden deze reis.

Herrenberg zou van 20 tot 24 augustus als minister van Buitenlandse Zaken naar Djakarta gaan en van daaruit Bouterse begeleiden naar de conferentie van niet-gebonden landen in Harare. Ik heb Henk een overzicht gegeven van hoe Suharto via hoogverraad aan de macht kwam, een bloedbad aanrichtte à la

286
Ik weet me er in 1997 dan ook niets meer van te herinneren.
[p. 217]
Pol Pot en ongetwijfeld de grootste schurk is die ooit in Java aan de bak kwam.

Theo las het tweede deel van mijn Memoires tijdens de lange vlucht, met een tussenstop in Lissabon, uit. ‘Je stelt je open op. Je kraakt zelfs Sukarno af wanneer je zegt dat hij gewoon stond de kletsen. Eigenlijk is het duidelijk dat je hetzelfde probleem hebt als ik mijn hele leven heb gehad, namelijk als je een onafhankelijke geest hebt en je kletst niet dezelfde onzin als de baas, dan word je ongeschikt verklaard voor de baan. Ik heb in de zakenwereld voortdurend datzelfde probleem gehad.’ Hij vroeg me of ik in zijn exemplaar van het boek iets wilde schrijven ter herinnering aan onze reis naar Suriname. We hebben veel gelachen. Het was vreemd om zo ineens tien dagen door te brengen met mijn jongste broer. Hij bedankte me uitgebreid voor de uitstekende organisatie.

 

| snc.com | Door: Redactie