
De Kaásimarrons en hun verzet tegen slavernij in Suriname
| snc.com | Door: Redactie
Kaási, de rebellenleider – Frank Dragtenstein Bron: https://historiek.net/
Al lang voordat het debat over de slavernijafschaffing op gang kwam, voerden aan het begin van de achttiende eeuw slaafgemaakten in Suriname een heftige strijd voor hun vrijheid. Vele slaafgemaakten wisten weg te komen van de plantages en vestigden zich in de jungle van Suriname. Tot deze groep, die marrons worden genoemd, behoorde Kaási, leider van de ‘Kaásimarrons’ en aanvoerder van een vijftig jaar durende guerrillastrijd tegen de Nederlandse plantagehouders. Een halve eeuw werden Kaási en de almaar groeiende groep marrons opgejaagd door de plantagehouders. In het boek Káasi, de rebellenleider beschrijft, analyseert en interpreteert Frank Dragtenstein de gebeurtenissen rond Kaási. Op Historiek een fragment uit zijn boek, over een succesvolle aanval van de Kaásimarrons.
Het hoogtepunt van de strijd
In de jaren dertig werd de druk van de marrons nog groter. Zij waren met te veel om nog te verslaan en de zware straffen,
Kaási’s strategische succes
In mei 1730 werd een groots opgezette expeditie onder leiding van kapitein Willem Bedloo voorbereid. Het doel van deze tocht was het grote aantal slaafgemaakten van Correpina dat weggevoerd was door de marrons terug te halen. Bedloo kreeg zeer uitvoerige instructies, opgesomd in zeventien artikelen die nauwkeurig moesten worden opgevolgd.
Voormalig arbeidershuis op plantage Vierkinderen, foto Coenraad Liebrecht Temminck Groll, 1971
Voormalig arbeidershuis op plantage Vierkinderen, foto Coenraad Liebrecht Temminck Groll, 1971 (CC BY-SA 4.0 – RCE – wiki)
Uit de divisies werden de burgermilities gemobiliseerd. In totaal werden 345 man bij elkaar gebracht:
De dag daarna gingen ze op weg naar Sarramacca, waar ze ’s middags arriveerden op een vastgestelde ontmoetingsplek, om van daaruit de weg naar en langs de rivier te vervolgen. Alle divisies waren er, met uitzondering van de divisie van Thorarica, waardoor er niet voldoende slaafgemaakten waren voor het vervoeren van de bagage. Dus werd vijfenveertig slaafgemaakten uit Corepina met spoed opgedragen naar die plek te gaan.
In de middag van maandag
Zo voer op 24 juli het volledige commando de Saramaccarivier op en zette daarna de tocht voort over land. Ze vonden een plek waar de marrons waarschijnlijk hadden gezeten, en de volgende ochtend stuitten de gidsen op de eerste kostgrond, een uur lopen van de oever van de rivier verwijderd. Swallenberg en een onbekend aantal burgers, militairen en mulatten gingen ernaartoe. De plek was zes akkers groot en bleek een jaar eerder te zijn verlaten. Het was bebost en er was nauwelijks kost op te vinden. Na een paar dagen rust vervolgden ze de tocht op 27 juli. Ze vonden enkele pleisterhuisjes, maar verder viel er niets te melden. De volgende dag, om vijf uur in de ochtend, voeren ze de rivier op, en na zeven uur varen bereikten ze de linkermonding van de Ponemakreek bij de Kleine Saramacca.
Volgens de
‘De aanval was om elf uur begonnen en duurde tot zes uur in de middag.’
Inmiddels meldden teruggekeerde spionnen, die eerder vooruit waren gezonden, dat ze schoten in de noordoostelijke richting van de Ponemakreek hadden gehoord. Dat leek een aanmoediging, want om vijf uur in de ochtend werd de tocht in de richting oostnoordoost hervat. De korporaal Jan Ernst, twee militairen, veertien burgers en een aantal Inheemsen bleven achter om de vaartuigen te bewaken. Later in de middag merkten de
Kaási en zijn mensen waren al ruim van tevoren op de hoogte van de komst van Swallenberg en zijn mannen. Hoe kon zo’n grote, uitvoerig voorbereide expeditie vanuit verschillende plantages ook geheim blijven? Het is waarschijnlijk dat spionnen hun voortgang al die tijd hadden gevolgd. Nu de troepen de dorpen naderden, gingen de commandanten van Kaási over tot actie. Het plan was om de expeditieleden van de dorpen weg te houden door guerrilla-aanvallen uit te voeren, hun de pas af te snijden en hen uit te putten.
Marrons voor hun woning, Eugen Klein, 1900 -
Marrons voor hun woning, Eugen Klein, 1900 – 1910
Swallenberg en de milities waren nog altijd aan land bij de plek aan de Ponemakreek, toen er een boodschapper van de achtergebleven korporaal Jan Ernst verscheen en meldde dat de mannen van Kaási een aanval hadden uitgevoerd op de ligplaats van de vaartuigen aan de monding van de Ponemakreek. Ze hadden zich verscholen tussen struiken en bomen, en toen met geweerschoten van zowel de linker- als de rechteroever van de kreek aangevallen. Ze riepen daarbij dat ze iedereen zouden doden, de vaartuigen waarin de voorraden lagen zouden overmeesteren en de Europeanen die onderweg naar hun dorpen waren de pas zouden afsnijden. De aanval was om elf uur begonnen en duurde tot zes uur in de middag. Opmerkelijk was de vermelding dat de zesentwintig Inheemsen vluchtten. Mogelijk hadden de mannen van Kaási gehoopt dat iedereen zou vluchten en dat ze de
‘Ze konden er niet langer blijven, want het voedsel was op’
De volgende ochtend, 30 juli, staakten Swallenberg en de zijnen de zoektocht en keerden ze ijlings terug naar de vaartuigen, zoals ook de bedoeling was van de marrons. Uiteraard moesten ze weer over de bergen trekken, en bij het naderen van een van de hoogste toppen werden ze onder vuur genomen door ongeveer vijftig marrons die zich verstopt hadden achter de klippen in de bergen. Ze vuurden eerst op de Inheemsen; een van hen werd direct dodelijk getroffen. Daarop trokken de marrons zich terug en wachtten op een volgend deel van de colonne, onder Pocorna en zijn Paramaribomilitie, die ook over de berg moest. Zij werden ook onder vuur genomen. De slaafgemaakte lastdragers lieten de bagage van hun hoofden vallen en sloegen op de vlucht of zochten dekking. Heel veel goederen gingen verloren of gingen
Terug bij de vaartuigen kreeg de groep te horen dat korporaal Ernst en de vijftien manschappen zich zeer ‘verlegen’, oftewel zeer machteloos voelden. Er waren enkele gewonden, onder wie de bediende van de weduwe Sonneberg, die in de knie was geschoten, en een soldaat die bij een ontploffing enkele vingers had verloren. De volgende ochtend stond er een marron aan de andere oever van de kreek met een witte ‘rokkie’ (lendendoek) om en met
Kaási, de rebellenleider - Frank Dragtenstein
Kaási, de rebellenleider – Frank Dragtenstein
Op de terugweg bemachtigde Swallenberg nog drie korjalen van de marrons. Dat waren wellicht aangemeerde verlaten korjalen. Eenmaal met de eigen vaartuigen bij de Saramaccarivier aangekomen, bleek het water van de rivier in drie dagen bijna een meter te zijn gedaald. In het gedeelte van de Saramaccarivier waar zij waren, zaten veel klippen in de rivier die het varen bijna onmogelijk maakten. Daarom bleven ze er drie dagen wachten tot het water weer voldoende was gestegen, en zelfs toen kostte het veel moeite de vaartuigen langs de klippen te loodsen. Maar ze konden er niet langer blijven, want het voedsel was op. Bij het verzamelpunt Aritewacabo konden ze hun voorraden aanvullen. Op
Boek: Kaási, de rebellenleider – Frank Dragtenstein
Abonneer op ons youtube kanaal.
Bedankt voor het kijken en abonneren.
'Suriname Nieuws Centrale'
| snc.com | Door: Redactie



































