• donderdag 27 August 2026
  • Het laatste nieuws uit Suriname

Bescherming van Staatsmiddelen mag niet ten koste gaan van het recht op effectieve rechtsbescherming

| abc-Suriname | Door: Redactie

Ingezonden:

De Surinaamse Orde van Advocaten (SOVA) heeft bij het Parlement haar zorgen kenbaar gemaakt over het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat onlangs bij De Nationale Assemblee is ingediend.

Wat houdt de voorgestelde wetswijziging in?

Het wetsvoorstel wil de mogelijkheden om beslag te leggen op goederen en vermogensbestanddelen van de Staat verder beperken. Daarnaast wordt voorgesteld om bestaande beslagen op staatsvermogen op te heffen en kunnen oude beslagen na het verstrijken van vijf jaar onder bepaalde omstandigheden van rechtswege nietig worden.De Orde begrijpt dat de Staat haar essentiële taken moet kunnen blijven uitvoeren en dat daarvoor een oplossing nodig is voor een groot aantal oude beslagen. Zij vindt echter dat het wetsvoorstel in de huidige vorm te ver gaat en bestaande rechtsposities van burgers en ondernemingen onvoldoende beschermt.

Gevolgen voor de samenleving: staatsvermogen is niet hetzelfde als publieke middelen

Het is begrijpelijk dat geld en goederen die nodig

zijn voor essentiële overheidstaken niet zomaar door beslag kunnen worden geblokkeerd. Als daardoor bijvoorbeeld salarissen, zorg, onderwijs of andere publieke voorzieningen niet kunnen worden betaald, raakt dat uiteindelijk de hele samenleving. Het huidige recht houdt hiermee al rekening. Artikel 436 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt reeds dat goederen die voor de openbare dienst zijn bestemd, niet vatbaar zijn voor beslag. Ook artikel 436a bepaalt dat onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen die aan de overheid toebehoren, worden

geacht voor de openbare dienst bestemd te zijn. Er bestaat dus al een wettelijke beperking van de mogelijkheid om beslag te leggen op bepaalde staatsgoederen.

Hoe ver moet de bescherming van Staatsvermogen gaan?

De Orde maakt zich zorgen dat het wetsvoorstel deze bescherming te ver uitbreidt. Hoe ruimer wordt bepaald welke middelen als “publieke middelen” worden aangemerkt, hoe groter het risico dat de bescherming verder gaat dan strikt noodzakelijk is voor het functioneren

van de openbare dienst en dat ook goederen en vermogensrechten buiten de strikt noodzakelijke publieke sfeer aan beslag worden onttrokken.

Dat zet de rechtsbescherming van burgers en ondernemingen op losse schroeven. Wie een rechtmatige vordering op de Staat heeft, moet niet alleen naar de rechter kunnen stappen en daar gelijk kunnen krijgen, maar moet in beginsel ook een reële mogelijkheid hebben om zijn recht ten uitvoer te leggen. De bescherming van publieke middelen mag daarom niet zo ruim worden dat een burger wel een recht tegenover de Staat heeft, maar vervolgens geen effectieve mogelijkheid meer heeft om dat recht te realiseren.

De SOVA is daarom van oordeel dat er een duidelijke toetsing moet plaatsvinden om vast te stellen welke middelen daadwerkelijk noodzakelijk zijn voor de openbare dienst. Alleen waar bescherming noodzakelijk is om essentiële publieke taken te waarborgen, kan een beperking van de executiemogelijkheden gerechtvaardigd zijn. Het Concept maakt het daarentegen mogelijk

dat bepaalde vermogensbestanddelen van de Staat afgeschermd worden, alleen maar omdat ze van de Staat zijn, zonder dat het publiek belang is aangetoond.

3. Automatische nietigheid na vijf jaar

Het wetsvoorstel verbindt aan het verstrijken van vijf jaar een zeer verstrekkend gevolg voor bestaande beslagen: een bestaand beslag kan van rechtswege nietig worden. In de praktijk kunnen procedures echter jarenlang duren. Een schuldeiser kan daardoor gedurende langere tijd niet tot verdere executie komen zonder dat dit aan hem te wijten is. Een procedure kan bijvoorbeeld nog bij de rechter lopen of een schuldeiser kan in afwachting zijn van een rechterlijke beslissing. Het enkele verstrijken van vijf jaar betekent dan niet dat een schuldeiser geen belang meer heeft bij zijn beslag.

De Orde vindt dat het concept geen rekening houdt met de reden waarom gedurende een bepaalde periode geen verdere executiehandeling heeft plaatsgevonden.

4. Opheffing van bestaande beslagen

Het wetsvoorstel stelt niet alleen regels voor toekomstige

beslagen, maar ook grijpt in in beslagen die al zijn gelegd: het voorgestelde artikel 479 lid 3 bepaalt dat alle reeds gelegde derdenbeslagen op bepaalde banktegoeden, geldvorderingen en andere vermogensrechten van de Staat worden opgeheven. Daarmee kan een schuldeiser een verhaalsmogelijkheid verliezen die hij al rechtmatig heeft verkregen.

De Orde vindt dat een dergelijke ingreep niet zonder individuele beoordeling mag plaatsvinden. Er moet bijvoorbeeld worden gekeken naar de aard van de vordering, de ouderdom van het beslag, de stand van de procedure en de reden waarom nog geen verdere executie heeft plaatsgevonden. De onafhankelijke rechter moet dus betrokken worden in dit proces.

5. De rechtsstaat moet voor iedereen gelden

De SOVA pleit niet voor onbeperkte beslagmogelijkheden op essentiële staatsmiddelen, maar om het vinden van de juiste balans. De Staat moet haar publieke taken kunnen uitvoeren, maar moet zich ook houden aan rechterlijke uitspraken en haar wettelijke verplichtingen. Wanneer een burger of onderneming na

een procedure van de rechter gelijk krijgt en de Staat wordt veroordeeld tot betaling, moet die uitspraak ook daadwerkelijk betekenis hebben. Een rechterlijke uitspraak mag niet alleen een recht op papier zijn.

De Orde heeft er in haar reactie er ook op gewezen dat het niet functioneren van het Constitutioneel Hof, juist bij wetgeving die zo rechtstreeks ingrijpt in bestaande rechtsposities, een groot gemis is. De SOVA heeft al verschillende malen gepleit voor her-activatie van het Constitutioneel Hof: het is van belang dat de constitutionele waarborgen daadwerkelijk functioneren. Echter, zolang dat niet het geval is, rust op de wetgever een extra verantwoordelijkheid om vooraf zeer zorgvuldig te beoordelen of nieuwe wetgeving verenigbaar is met de Grondwet en de internationale verplichtingen van Suriname.

6. Gevolgen voor de Staat: de regeling kan ook tegen de Staat werken

De voorgestelde regeling kan ook nadelige gevolgen hebben voor de Staat zelf. De Staat is niet alleen overheid,

maar ook een partij in het maatschappelijk en economisch verkeer. Zij sluit overeenkomsten met ondernemingen en andere partijen en heeft betalingsverplichtingen. Als ondernemingen het risico lopen dat een rechtmatige vordering op de Staat wel door de rechter wordt vastgesteld, maar vervolgens moeilijk kan worden geïnd, zullen zij dat risico mogelijk meenemen in hun zakelijke beslissingen. Dit kan leiden tot hogere prijzen, strengere betalingsvoorwaarden of hogere risicopremies. Ook kan de bereidheid om op krediet of voor langere termijn met de Staat overeenkomsten aan te gaan afnemen. Een regeling die bedoeld is om de financiële positie van de Staat te beschermen, kan daarmee uiteindelijk juist leiden tot hogere kosten en minder vertrouwen in de Staat als betrouwbare contractspartij. De SOVA waarschuwt voor de implicaties die dit bij toekomstige contractspartijen van de Staat kan hebben, met name gelet op de toegenomen activiteiten rond de olie- en gaswinning.

Daarmee is het ook in het belang

van de Staat zelf dat een goede balans wordt gevonden tussen de bescherming van de openbare dienst en het recht van burgers en ondernemingen op effectieve rechtsbescherming.

Conclusie

De Orde erkent dat de Staat een reëel probleem met oude beslagen moet oplossen, maar de oplossing van dat probleem mag niet ten koste gaan van fundamentele rechtsbescherming. Zij pleit daarom voor een regeling die beide belangen beschermt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een bijzondere en snelle rechterlijke procedure voor oude of kennelijk achterhaalde beslagen en aan een duidelijkere afbakening van de staatsgoederen die daadwerkelijk bescherming nodig hebben.

De Orde van Advocaten heeft De Nationale Assemblee daarom verzocht het wetsvoorstel niet in de huidige vorm aan te nemen en de rechtsstatelijke en constitutionele aspecten ervan grondig te beoordelen. De continuïteit van de openbare dienst én effectieve rechtsbescherming zijn beide van belang. Een sterke rechtsstaat moet beide kunnen waarborgen.

Namens de Surinaamse Orde van Advocaten

Elleson M.

Fraenk Deken

| abc-Suriname | Door: Redactie