
Artikel 140 Grondwet tussen waarborg en veto: over strafrechtelijke verantwoordelijkheid van politieke ambtsdragers (OPINIE)
| surinamevandaag | Door: Redactie
(Door K. Ramdhan) – Het recente opiniestuk van Carlo Jadnanansing (Starnieuws, 31 mei 2026) roept een fundamentele constitutionele vraag op: dient artikel 140 van de Surinaamse Grondwet ter bescherming van de rechtsorde of ter bescherming van politieke ambtsdragers?
Artikel 54, lid 2, onder e, van de Grondwet bepaalt ondubbelzinnig dat politieke ambtsdragers burgerrechtelijk en strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun handelen en nalaten. Onder sub f wordt daaraan toegevoegd dat zij gehouden zijn het algemeen belang te dienen. De tweede volzin van artikel 54, lid 2, onder a, bepaalt bovendien dat beslissingen van hogere staatsorganen niet bindend zijn voor de rechtsprekende macht. Daarmee bevestigt de Grondwet een fundamenteel beginsel van de democratische rechtsstaat: de rechter oordeelt onafhankelijk van politieke organen.
Tegen deze achtergrond moet artikel 140 worden gelezen. De bepaling voorziet in een bijzondere procedure voor de vervolging van politieke ambtsdragers wegens ambtsmisdrijven. De rol van De Nationale Assemblée (DNA) wordt nader ingevuld door de Wet In Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers (WIPA).Noch uit de tekst van artikel 140, noch uit de Memorie van Toelichting van de WIPA blijkt dat de grondwetgever heeft beoogd politieke ambtsdragers een materiële strafrechtelijke immuniteit te verschaffen.
De tekst van de WIPA en de daarbij behorende toelichting bieden geen aanknopingspunten voor de opvatting dat DNA in de plaats van het Openbaar Ministerie of de strafrechter zou treden bij de beoordeling van schuldvragen, bewijswaardering of vervolgbaarheid.
Een ruimere interpretatie brengt het risico met zich dat een procedurele waarborg verschuift naar een materieel veto. In dat geval wordt toegang tot de rechter niet langer afhankelijk van juridische criteria, maar van politieke meerderheden. Dat zou op gespannen voet staan met de rechterlijke onafhankelijkheid die de Grondwet juist beoogt te beschermen.
In dit verband is ook het beginsel van constitutionele doelbinding relevant. Hoewel het leerstuk van détournement de pouvoir traditioneel behoort tot het bestuursrecht, weerspiegelt het een bredere constitutionele norm: bevoegdheden moeten worden aangewend overeenkomstig hun doel en strekking. Toegepast op artikel 140 en de WIPA betekent dit dat de bevoegdheid van DNA is bedoeld als waarborg tegen oneigenlijke of lichtvaardige vervolging, niet als instrument om strafrechtelijke verantwoording structureel te verhinderen.
Deze interpretatie vindt steun in de systematiek van de Grondwet. Artikel 54 verankert het beginsel van politieke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Artikel 140 regelt een bijzondere procedurele tussenstap voor vermeende ambtsmisdrijven. Artikel 145 wijst het Openbaar Ministerie aan als de constitutioneel bevoegde instantie om te beslissen over strafvervolging, terwijl de uiteindelijke beoordeling van strafrechtelijke aansprakelijkheid is voorbehouden aan de onafhankelijke rechter. Een interpretatie waarbij DNA zelfstandig de juridische merites, bewijswaardering of vervolgbaarheid van een strafzaak beoordeelt, doorkruist deze constitutionele taakverdeling tussen parlement, Openbaar Ministerie en rechter.
Daarbij is van belang dat artikel 54 een fundamenteel constitutioneel uitgangspunt verankert: politieke ambtsdragers zijn strafrechtelijk verantwoordelijk voor hun handelen en nalaten. Een toepassing van artikel 140 die vervolging afhankelijk maakt van een politieke meerderheid staat op gespannen voet met dat uitgangspunt. Strafrechtelijke verantwoordelijkheid veronderstelt immers dat ernstige verdenkingen aan een onafhankelijke rechterlijke toetsing worden onderworpen. Een politiek gekleurd besluit dreigt de uitzondering tot norm te verheffen en daarmee afbreuk te doen aan de beginselen van gelijkheid voor de wet en publieke verantwoording.
Deze benadering vindt tevens steun in het internationale recht. Internationale anticorruptie-verdragen, waaronder het UNCAC, benadrukken het belang van effectieve mechanismen voor onderzoek en vervolging van corruptie-gerelateerde ambtsmisdrijven. Bij meerdere mogelijke interpretaties van nationale regelgeving ligt daarom een uitleg voor de hand die effectieve juridische verantwoording bevordert. Een constitutionele interpretatie die rechterlijke toetsing structureel afhankelijk maakt van politieke toestemming laat zich moeilijk met die verplichtingen verenigen. Ambtsmisdrijven behoren niet door politieke bescherming aan juridische verantwoording te worden onttrokken.
Een afwijzing van een vordering van de procureur-generaal vereist daarom een bijzondere rechtvaardiging, omdat anders het risico ontstaat dat het in artikel 54 verankerde beginsel van strafrechtelijke verantwoording onvoldoende tot zijn recht komt. De Grondwet en de WIPA specificeren niet uitdrukkelijk de intensiteit van deze beoordeling door DNA, maar in samenhang bezien met artikel 140 Grondwet en artikel 7 en 9 WIPA, is het verdedigbaar dat de wetgever gekozen heeft voor een zeer terughoudende beoordeling. Ik zou zeggen een “politiek onafhankelijke” beoordeling.
Een constitutionele interpretatie die artikel 140 omzet van een procedurele waarborg in politieke filter miskent zowel de systematiek als de ratio van de Grondwet. De bepaling beoogt bescherming tegen misbruik van het strafrecht, niet bescherming tegen het strafrecht zelf. In een democratische rechtstaat behoort de uiteindelijke beoordeling van strafrechtelijke aansprakelijkheid niet toe aan politieke meerderheden, maar aan de onafhankelijke rechter.
Sterker nog, indien het uitgangspunt van artikel 54 Grondwet daadwerkelijk wordt gerespecteerd, is uiteindelijk moeilijk vol te houden waarom artikel 140 nog noodzakelijk zou zijn. In een volwassen democratische rechtsstaat behoort de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van politieke ambtsdragers niet afhankelijk te zijn van politieke toestemming, zodat afschaffing van artikel 140 Grondwet een serieuze overweging verdient.
K. (Chinta) Ramdhan
| surinamevandaag | Door: Redactie

































