Suriname werd te snel onafhankelijk en dat wist eigenlijk iedereen
| joop.bnnvara.nl
| Door: Maurice Pahladsingh
Op 25 november 1975 werd een relatief stabiel en zich gestaag ontwikkelend Suriname staatskundig onafhankelijk van ‘het moederland’ Nederland. Het zou vandaag een feestdag moeten zijn, maar er valt weinig te vieren. Want 46 jaar later tieren corruptie en criminaliteit welig, is het land afgegleden in armoede en in een
diepe financiële crisis geraakt. Volgens velen is Suriname als gevolg een ondoordachte voorbereiding de onafhankelijkheid ingerommeld, met alle gevolgen van dien. Hoe kwam dat en hoe moet het nu verder?
Op de wijze waarop de onafhankelijkheid tot stand is gekomen, is voor, tijdens maar vooral nadien ruimschoots kritiek geleverd vanuit Nederland
en Suriname. Centraal in veel beschouwingen staat de haastige spoed van het kabinet Den Uyl, die de verzelfstandiging koste wat kost wilde realiseren binnen korte tijd en eerder leek gedreven door een idealistische opvatting en angst dan door realiteitszin. De heersende opvatting was dat het aanhouden van een kolonie niet
meer paste in het tijdsbeeld. En er was angst voor een tweede Nederlands-Indië, waar de onafhankelijkheidsoorlog een bitter einde maakte aan de overheersing van de geliefde kolonie.
Suriname was in de jaren zeventig van de vorige eeuw al veel minder een kolonie dan het in de drie eeuwen daarvoor was geweest.
Het was een land dat binnen het Rijk met Nederland en de toenmalige Antillen op basis van gelijkwaardigheid werd geacht te functioneren. De basis werd daarvoor gelegd in het gewijzigde Statuut van 1954, dat slechts Defensie en Buitenlandse Zaken voorbehielden aan Den Haag. In de praktijk lag het wel wat
anders, veel inhoudelijke beleidsbeslissingen kwamen toch vaak bij Nederland terecht. Dat was men op dat moment nog gewoon en dat was ook niet zo gek gezien de voorgaande eeuwenlange Nederlandse overheersing.
Uit Nederland kwam de eerste echt prominente roep om onafhankelijkheid van Suriname (en ook de Nederlandse Antillen) van drie progressieve
partijen, namelijk PvdA, D’66 en PPR (later opgegaan in GroenLinks). In hun gezamenlijke verkiezingsprogramma Keerpunt 72 stelden zij, dat beide overzeese Rijksdelen niet later dan eind 1976 onafhankelijk dienden te zijn. Dat was vrij opvallend. Onafhankelijkheid werd regelmatig in de Surinaamse politiek geopperd, maar dat werd niet breed gedragen of
geëist. In de Surinaamse samenleving was er geen veelgehoorde roep om onafhankelijkheid laat staan een nationale beweging voor afscheiding, zoals dat in andere landen vaak ging. Op 15 februari 1974 stelde tot veler verrassing nieuwbakken premier Arron namens partijencombinatie NPK in de regeringsverklaring, dat Suriname onafhankelijk moest zijn en dat
voor eind 1975. Voor de regering Den Uyl was daarmee het gewenste moment gekomen.
Voor een onafhankelijkheid, laat staan een dergelijke spoedige, bestonden op dat moment eigenlijk alleen maar contra-indicaties. In het Surinaamse parlement lag de verhouding op een krappe 22-17 van partijen die de onafhankelijkheid wensten. Voor een fundamentele verandering
in de staatskundige verhoudingen met grote gevolgen voor de Surinaamse bevolking was deze marginale meerderheid een zwakke democratische legitimatie. Die viel feitelijk al weg als men bedenkt dat die meerderheid ontstond vanuit een kiesstelsel op basis van districten die bepaalde etnische groepen benadeelden, waardoor het kiesdistrict bepaalde hoeveel stemmen nodig
waren voor een zetel.
Dat systeem was nota bene een erfenis uit de koloniale geschiedenis, waarbij mondjesmaat Surinaamse bevolkingsgroepen kiesrecht en invloed werden gegund en waardoor de emancipatie kabbelend verliep en een rangorde in bevolkingsgroepen creëerde en cultiveerde. De Nederlandse regering was zelf tot de conclusie gekomen dat Suriname economisch achterbleef,
cliëntelisme en nepotisme wijdverbreid waren, armoede te groot was en er een algemene ontwikkelingsachterstand was. Al in 1946 rapporteerde een door Nederland ingestelde commissie onder andere, dat bij een onafhankelijkheid de Hindostaanse en Javaanse bevolkingsgroepen een Creoolse overheersing vreesden en dat zelfbestuur pas mogelijk was als de lokale autonomie en
de economie voldoende waren ontwikkeld.
Oppositieleider Lachmon uitte in 1974 dezelfde zorgen als destijds, omdat de emancipatie en bestuurlijke participatie van de Aziatische bevolkingsgroepen achter waren gebleven en het kiesstelsel deze groepen benadeelde. Hij stelde een referendum voor, maar dat werd afgewezen Het zelfbesturend vermogen was in de afgelopen dertig jaar
beperkt gebleken. Den Haag hield financieel, bestuurlijk en economisch Suriname draaiend. Suriname was nog niet zelfredzaam en ook niet op weg dat binnen afzienbare tijd te worden. En er moesten nog forse stappen worden gezet om een natie te vormen waarbinnen alle bevolkingsgroepen gelijkwaardig konden functioneren. Maar Nederland zag ditmaal
in het achterblijven van de gewenste ontwikkeling juist aanleiding het over een andere boeg te gooien.
De Nederlands bemoeienis in Suriname remde haar ontwikkeling, zo hield men zichzelf voor. Iets te gemakkelijk werd daarbij ook weggekeken van het feit dat het land op dat moment iets meer dan 360.000 inwoners kende
met een beperkte ontwikkeling en waarvan veel hoger opgeleiden al waren uitgeweken naar Nederland. Een gezamenlijke commissie uit beide landen moest met een aanpak komen voor meer economische slagkracht na de onafhankelijkheid, om aldus een economisch zelfstandige basis te creëren. Nederland zag met moeite dat de plannen zich voornamelijk richtten
op winning van grondstoffen en amper ruimte was voor het creëren van werkgelegenheid en eigen productie. Ook voor sociale ontwikkeling was weinig aandacht. Maar het waren voorstellen van Surinaamse zijde en op dat moment was de opvatting dat Nederland dat maar zo moest laten. Suriname zou immers zelf haar boontjes
moeten doppen en via de ontwikkelingsgelden zou er nog enige sturingsruimte blijven.
Het liep allemaal heel anders. De onafhankelijkheid die in krap twee jaar onder stoom en kokend water werd doorgedrukt, betekende een exodus waarbij meer dan 100.000 Surinamers – ruim een kwart van de toenmalige bevolking – vestiging in Nederland
verkozen boven de onzekerheid van een verdeeld ontwikkelingsland. Er ontstond een onwerkelijke diplomatieke dans tussen Nederland en Suriname, waarbij over en weer met het vingertje werd gewezen en Nederland de hulpgelden inzette om toch te interveniëren in Surinaamse zaken: juist dat wat het niet langer wilde, kon het niet laten.
Suriname was in plaats van zelfstandig juist verslaafd geraakt aan de hulpgelden en de gehoopte ontwikkeling bleef nog steeds achter. De jaren onder Bouterse kenmerkten zich door bestuurlijke tegenwerking en een onnatuurlijke vervreemding van twee landen die meer heden, verleden en toekomst met elkaar deelden dan welhaast elk ander land
ter wereld. Suriname verviel ondanks een enkele opleving bestuurlijk in chaos waarvan Bouterse decennialang kon profiteren en het land via cliëntelisme, corruptie, onderdrukking en plundering nog eens decennia verder terugwierp.
Toenmalig minister Pronk gaf later toe dat Nederland Suriname’s volledige autonomie wilde “bevorderen en bespoedigen”. Volgens Den Uyl was Suriname zelfs
eerder te laat dan te vroeg zelfstandig geworden, hij vond het zelfs een model voor dekolonisatie. De dadendrang balanceerde tussen grenzeloze naïviteit en tunnelvisie, waarbij de belangen van het Surinaamse volk minder zwaarwegend leken dan die van het realiseren van politieke doelstellingen. Men beoogde een meer zuivere relatie en het
tegendeel werd waar, door het schermen met stopzetten van ontwikkelingsgelden als de gewenste beleidsmatige keuzes niet werden gemaakt. Ook het Surinaamse bestuur van destijds mag zich aanrekenen, dat men lichtzinnig, overhaast en zonder breed en duurzaam draagvlak de stap van afscheiding waagden. Aangemoedigd door een premie van 1,5 miljard aan
ontwikkelingshulp in het verschiet, riskeerden zij daarmee de ontwikkeling van land en volk.
Dit jaar viert Suriname haar 46e verjaardag als zelfstandige republiek. Vandaag de dag is de natie van 1 miljoen mensen van Surinaamse afkomst gespleten over twee landen, waarvan ongeveer 400.000 in Nederland wonen. Etnisch is Suriname nog te
veel verdeeld gebleven en de natievorming van de bevolking die voor 90% zijn herkomst vindt in eeuwenlange import van tot slaafgemaakten uit Afrika en contractarbeiders uit Azië verloopt nog altijd moeizaam. Nog steeds drijft de economie op grondstoffen en zijn er grote sociaal-maatschappelijke problemen. Op de bestuurlijke, sociaal-economische en financiële
puinhopen van 40 jaar Bouterse probeert president Santokhi de draad van 1975 weer op te pakken. Om van dat dunne draad een stevig koord te maken, bepleit ik drie maatregelen.
Ten eerste het ontwikkelen van een duurzame samenwerkingsrelatie met Nederland gebaseerd op een mengvorm van een gemenebest en een protectoraat. De
gedachte van een gemenebest is al eerder door een aantal prominente Surinamers geuit in 1993. Het sinds 1992 geldende Raamverdrag tussen beide landen, onder Bouterse effectief in een la verdwenen, biedt een brede basis voor samenwerking op tal van terreinen die de wederzijdse belangen opnieuw goed kunnen dienen en startpunt
voor een dergelijke ontwikkeling kan zijn. Suriname heeft daarnaast regelmatig te maken gehad met grensconflicten en beschikt aan de ene kant over lange en moeilijk te bewaken landsgrenzen, aan de andere kant over een klein en minder goed toegerust militair apparaat. Daarin zou incidentele ondersteuning op verzoek van de Surinaamse
regering dienstbaar zijn.
Ten tweede het beschrijven van de feiten en gevolgen van de overhaaste onafhankelijkheid voor beide landen en die vastleggen in de onderwijsboeken. Juist nu er een nieuw besef is ontstaan over het koloniaal verleden, zoals de slavernij en de contractarbeid en steeds meer van die geschiedenis zichtbaar wordt
en wordt beschreven, past het om ook over het formele sluitstuk daarvan het volle licht te werpen en die kennis door te geven. En daarbij hoort ook het vrijgeven van de als geheim bestempelde informatie in de archieven over de relatie met Suriname begin jaren tachtig. Er zijn hardnekkige geluiden
dat Nederland betrokkenheid zou hebben gehad bij de coup van Bouterse in 1980 via militair attaché Valk. Die aanwijzingen vallen ogenschijnlijk samen met de ontevredenheid van Nederland over het aanvankelijke Surinaamse bestuur na de onafhankelijkheid, waardoor het toen regelmatig intervenieerde in de bestedingen van de hulpgelden en opvallend genoeg dat
juist niet deed toen Bouterse in 1980 de macht greep. De motie Karabulut van februari 2021 die de regering oproept om die informatie vrij te geven is nog steeds niet uitgevoerd.
En ten derde, voor Suriname de taak om eindelijk eens werk te maken van het ontmantelen van het laatste koloniale
overblijfsel in het kiesstelsel door het districtenstelsel om te vormen naar een evenredigheidsstelsel van one man, one vote. Ook nu nog zorgt de bestaande opzet voor onevenredige uitkomsten. Zo had bij de verkiezingen van 2020 de NPS ongeveer 32.000 stemmen, wat goed was voor 3 zetels. ABOP had er 25.000
en kreeg er evenwel 8. Terwijl de NDP van Bouterse met het aantal van 65.000 weer 15 zetels binnenhaalde. In een land waar etnische lijnen nog altijd sterk zijn, zal de eerste reflex een zijn van terughoudendheid. Maar omdat Suriname een sprekend voorbeeld is van een land met een majority
minority en niet één bevolkingsgroep in de meerderheid is, zou dat nooit een argument mogen zijn: er zullen altijd verschillende bevolkingsgroepen samen moeten werken voor een meerderheidsbestuur.
Hopelijk worden de volgende 46 jaren een stuk voorspoediger. Er is in elk geval voldoende perspectief. Ik hoop het van harte voor de 1
President Jennifer Simons vertrekt woensdag voor officiële bezoeken aan Brazilië en de Dominicaanse Republiek. DNA-lid Ameerani Jarbandhan wil van het staatshoofd weten wat buitenlandse reizen van de regering concreet opleveren voor Suriname. In een brief aan de Surinaamse president stelt zij vragen over de geplande reis naar Brazilië, waarbij de president met een delegatie van ministers zou af
“We kunnen geen modderpoel in één stap veranderen in een glas drinkwater. Het is eenmaal de wereld en we gaan door blijven werken”, zegt president Jennifer Simons. Op een persconferentie op maandag 25 mei 2026 ging het staatshoofd in op de situatie een jaar na de verkiezingen in Suriname.Volgens Simons is ondanks het de regering ondanks de vele uitdagingen het afgelopen jaar toch gelukt om w
De Vereniging van Economisten in Suriname (VES) heeft twaalf maanden na de verkiezingen een evaluatie gemaakt van het regeringsbeleid.Swami Girdhari, secretaris van de VES, presenteerde de bevindingen in het programma ABC Actueel. Daarbij kwamen verschillende onderwerpen aan de orde, waaronder de staatsfinanciën, staatsbedrijven, het buitenlands beleid, de gezondheidszorg en de communicatie van
Het Caribbean Court of Justice (CCJ) heeft vandaag uitspraak gedaan in de zaak van Derek Anand Ramsamooj tegen de Staat Suriname. Het hof heeft geoordeeld dat Suriname de fundamentele rechten van Ramsamooj heeft geschonden tijdens zijn detentie tussen oktober 2020 en september 2022 in Suriname en moet hem USD 30.000,- betalen voor gezondheidsschade.Ramsamooj, een burger van Trinidad en Tobago en
Vandaag is het precies één jaar geleden dat de verkiezingen in Suriname werden gehouden. President Jennifer Geerlings-Simons zegt dat het werk sinds haar aantreden intensief is geweest, maar dat er inmiddels enkele belangrijke stappen zijn gezet, waaronder het stabiliseren van de stijgende wisselkoers.Volgens de president moet er nog veel veranderen in Suriname. “Niet alles gaat perfect, maar
Volgens minister Marinus Bee van Binnenlandse Zaken (BiZa) is de voorbereiding om middels wetgeving de pensioenleeftijd van 60 jaar te verhogen in een heel ver gevorderd stadium. Concreet is aan een team van deskundigen gevraagd om 62 of 65 jaar als pensioengrens uit te werken.“We zijn nu bezig met het Pensioenfonds en een team van juristen. Ze werken nu aan een wetswijziging. Ik heb ze ook gevr
Volgens VHP-parlementariër Cedric van Samson kan de openbare hoorzitting van oud-BiZa-minister Bronto Somohardjo getypeerd worden als een toneel. Volgens de politicus heeft hij een goede toneelspeler in zijn familie, waardoor hij drama en toneel snel kan herkennen.“En wat ik vrijdag heb gezien, had echt veel van een toneel. Goed voorbereide vragen die gesteld werden aan een goed voorbereid pers
Bron: Samenvating van 2 artikelen uit Ves InzichtNegen maanden na de verkiezingen bevindt Suriname zich in een diepere schuldenval. Uit gegevens van het Bureau voor de Staatsschuld, geactualiseerd door de Vereniging van Economisten in Suriname (VES), blijkt dat de totale staatsschuld per eind maart 2026 is gestegen naar USD 4,8 miljard (SRD 180,7 miljard). Dit is een verontrustende toename van rui