
De WIPA miskend: hoe de DNA-voorzitter zich een bevoegdheid toe-eigende die de wet niet geeft; staatsrechtelijk onzuiver! (OPINIE)
| surinamevandaag | Door: Redactie
(Door Chinta Ramdhan) – De openbare behandeling van de Commissie van Onderzoek in de zaak van Bronto Somohardjo heeft een fundamenteel staatsrechtelijk probleem blootgelegd: de procedure lijkt niet te zijn uitgevoerd overeenkomstig de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers (WIPA), maar op basis van een eigen interpretatie van het Reglement van Orde (RvO) van De Nationale Assemblée. Daarmee rijst de vraag of de constitutionele grenzen van bevoegdheidsuitoefening zijn overschreden.
De kern van het probleem ligt in artikel 140 van de Grondwet van Suriname, dat voor politieke ambtsdragers een bijzondere aansprakelijkheidsprocedure creëert. Die procedure is niet geregeld via het reguliere parlementaire recht, maar via een afzonderlijke bijzondere wet: Wet In Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politie Ambtsdragers (WIPA). Daarmee geldt het beginsel van lex specialis derogat legi generali: de bijzondere wet gaat vóór op algemene parlementaire regels.
Van cruciaal belang is artikel 8 lid 3 WIPA. Daarin bepaalt de wetgever uitdrukkelijk dat de politieke ambtsdrager of gewezen politieke ambtsdrager “door de Commissie” wordt gehoord. Die formulering is juridisch niet vrijblijvend. De wet legt het horen expliciet neer bij de Commissie van Onderzoek zelf. Niet bij de voorzitter van De Nationale Assemblée. Niet bij het presidium. Niet bij een afzonderlijke vergadering van DNA.
Dat betekent staatsrechtelijk dat de bevoegdheid tot het leiden van het gehoor exclusief toekomt aan de Commissie.
Juist daarom wringt de gang van zaken rond de openbare behandeling. DNA-voorzitter Ashwin Adhin trad op als voorzitter van de vergadering, leidde de behandeling en bepaalde feitelijk de procedurele inrichting op basis van het Reglement van Orde van DNA. Maar nergens in de WIPA staat dat de voorzitter van DNA bevoegd is de commissiebehandeling over te nemen of procedurele leiding te geven aan het horen van betrokkenen.
Sterker nog: uit de systematiek van de wet volgt het tegenovergestelde.
De stukken worden ingevolge de WIPA ter beschikking gesteld aan de Commissie die belast is met het onderzoek en het horen van betrokkenen. Vervolgens bepaalt artikel 9 WIPA dat de Commissie, nadat zij haar onderzoek heeft afgerond, verslag uitbrengt aan De Nationale Assemblée over haar bevindingen. Pas daarna komt De Nationale Assemblée als voltallig orgaan in beeld.
Dáár ontstaat vervolgens ruimte voor toepassing van het reguliere parlementaire kader. De beraadslaging van DNA over het eindverslag van de Commissie en de vordering van de Procureur-generaal vindt plaats binnen het constitutionele kader van artikel 10 WIPA in samenhang met artikel 83 lid 1 en 2 van de Grondwet. In die fase zijn de parlementaire regels en dus het Reglement van Orde wél relevant.
Maar dat is een andere fase van de procedure.
De fout lijkt daarom te zijn dat de regels van het RvO reeds zijn toegepast tijdens het commissiële onderzoeksstadium, terwijl de WIPA daarvoor geen enkele expliciete grondslag biedt. Dat is juridisch problematisch, omdat bevoegdheden binnen een rechtsstaat niet impliciet mogen worden aangenomen. Zeker niet in procedures met mogelijke staatsrechtelijke en strafrechtelijke consequenties.
De DNA-voorzitter komt niet de bevoegdheid toe zelfstandig te bepalen welke procedureregels van toepassing zijn op een bijzondere constitutionele procedure. Indien de wetgever had bedoeld dat het Reglement van Orde ook gold voor de Commissie van Onderzoek in het kader van artikel 140 Grondwet, dan had dat expliciet in de WIPA moeten worden opgenomen. Dat is niet gebeurd.
Daarmee ontstaat een duidelijke wettelijke lacune.
Maar een lacune betekent niet dat staatsorganen onbeperkte interpretatieruimte krijgen. In het staatsrecht geldt juist het tegenovergestelde: waar bevoegdheden ontbreken, past terughoudendheid. Het legaliteitsbeginsel vereist dat ingrijpende procedurele keuzes — zoals openbare behandeling, leiding van het gehoor en toepassing van parlementaire procedureregels — een expliciete wettelijke basis hebben. Binnen het constitutioneel recht geldt immers dat staatsorganen slechts die bevoegdheden mogen uitoefenen die expliciet of noodzakelijk uit wet of grondwet voortvloeien.
Die basis ontbreekt hier.
De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat de DNA-voorzitter bevoegdheden heeft uitgeoefend waarvoor de WIPA geen expliciete grondslag biedt.
Daarnaast lijkt ten onrechte het Reglement van Orde te zijn toegepast op een commissiële onderzoeksprocedure waarvoor de wet die toepasselijkheid nergens voorschrijft.
Dat is meer dan een technische onvolkomenheid. Het raakt de kern van constitutionele bevoegdheidsverdeling. Juist bij uitzonderlijke procedures tegen politieke ambtsdragers mag procedurele zuiverheid geen bijzaak zijn, maar moet zij het fundament vormen van de rechtsstaat. Een constitutionele uitzonderingsprocedure verliest haar legitimiteit zodra procedurele grenzen worden vervangen door institutionele improvisatie.
K. (Chinta) Ramdhan
| surinamevandaag | Door: Redactie




































