booked.net

   

booked.net

Het laatste nieuws uit Suriname

Bodil de la Parra ging naar Suriname om haar familiegeschiedenis op de planken te brengen

Publicatie datum: | Bron: volkskrant.nl | Door: José Rozenbroek10 april 2019, 18:58

REPORTAGE BODIL DE LA PARRA
Bodil de la Parra in ‘Het verbrande huis’ Beeld Ben van Duin

In Het verbrande huis onderzoekt actrice Bodil de la Parra de geschiedenis van haar familie in Suriname. Die bleek duisterdere kanten te hebben dan vooraf gedacht. In de synagoge in Paramaribo rent Bodil de la Parra (55) op haar gympen de kansel op. ‘Kan ik wel zingen en lopen tegelijk?’, vraagt ze aan technicus Wannes van der Veer die aan de geluidsinstallatie prutst. Op de voorste bank zwaait regisseur Wimie Wilhelm zichzelf koelte toe met het script.

Gisteren zijn ze geland op vliegveld Zanderij. Vanavond zal De la Parra in deze synagoge haar solovoorstelling over haar turbulente Surinaamse familiegeschiedenis spelen. Ze hebben een paar uur om het stuk door te lopen en te wennen aan dit imposante 18de-eeuwse gebouw met wit zand op de vloer en koperen kroonluchters aan hoge plafonds.

Ze is zenuwachtig. Vanavond is voor de speciale genodigden: ministers, de Nederlandse zaakgelastigde, de rabbijn van de joodse gemeente, de imam van de naastgelegen moskee. De zusters van oud-president Venetiaan staan op de gastenlijst, net als de beroemdste schrijfster van het land, Cynthia McLeod. En natuurlijk De la Parra’s vader, oud-filmmaker Pim de la Parra (79).

Samen met Wimie neemt ze de scènes door. Bij de passage waarin haar neefjes Kenneth en Noel haar vieze woorden leren, vraagt ze: ‘Kan ik dat wel zeggen in de synagoge: lik mijn poentje, lik mijn tollie?’

Wilhelm, streng: ‘Poentje en tollie roepen ze hier de hele dag in de straten. Dan gaan wij niet hypocriet lopen doen.’

Bij de sterfscène van haar oma Mavis stopt De la Parra. Ze veegt de tranen uit haar ogen. ‘Ik realiseer me opeens dat mijn vader daar straks zit. Dit is zíjn geschiedenis.’

Zwartenhovenbrugstraat 140 in 1996. Beeld Familiealbum Bodil de la Parra

Het verbrande huis, zo heet de theatersolo van De la Parra over haar familie van vaderszijde. Het idee broeide al langer, maar nadat in 2012 het houten familiehuis in Paramaribo door brand werd verwoest, ging ze aan de slag.

Het moest een voorstelling worden over de Surinaamse koloniale geschiedenis, vertelt ze later die middag bij een gemberbiertje. ‘Dat verhaal is nog maar zelden verteld. In Nederland niet, en ook hier niet. In het stuk ga ik op zoek naar waar ik vandaan kom. Wat ik belangrijk vind, is de link naar het heden: ook wij waren ooit vluchtelingen.’

Ze schreef zelf de tekst en putte daarvoor uit jeugdherinneringen, familieverhalen en haar fantasie. De première was vorige zomer op Oerol, daarna speelde ze in het hele land. En nu dus in Suriname; twee keer in de synagoge, vier avonden in het theater.

Zelf groeide ze op in Amsterdam, maar de zomervakanties bracht het gezin regelmatig door in Paramaribo, in het huis boven de apotheek en drogisterij van de familie aan de Zwartenhovenbrugstraat, een drukke verkeersader die zich dwars door de stad slingert. Daar zwaaide haar strenge opa de scepter, en woonden de tantes Pop, Gus, Jet, Jenna en de neefjes Kenneth en Noel. Ook als twintiger en dertiger kwam De la Parra regelmatig logeren. Kletste ze tori’s met de tantes, maakte ze uitstapjes naar het binnenland en stortte ze zich met de neven in het nachtleven. Vanaf de zijlijn kreeg ze mee hoe Suriname in verval raakte en de ooit zo welvarende familie daarin werd meegesleurd.

En dan heb je nog de verhaallijn van de twee Joods-Portugese broertjes Samuel en Solomon – hun namen vond De la Parra in de familiestamboom. Zij vluchten in de 17de eeuw voor de inquisitie en stappen op de boot naar Suriname. Een eeuw later bezitten de De la Parra’s tientallen suikerplantages. De ontzetting is van haar gezicht te schrapen als ze in haar stuk vertelt: ‘De familie de la Parra was de familie met de meeste slaven in het Suriname van de 19de eeuw.’ Aan haar tante Gus vraagt ze hoe dat nou kan: ze hebben toch ook slavenbloed? Tante Gus: ‘Je ene overgrootoma was een creoolse, je andere overgrootoma was een Indiaanse. Je neef is een Hindoestaan, je nichtjes zijn van een boslandcreool. En toch zijn we één familie. Surinaams zijn zit van binnen.’

Zo weerspiegelt de familiegeschiedenis de geschiedenis van Suriname: de koloniale bezetting, de slavernij, de smeltkroes van culturen, het leven na de onafhankelijkheid.

Bodil met broertje en vader, de Copernicusstraat 1975. Beeld Familiealbum Bodil de la Parra

Die avond in de synagoge roept ze haar familie tot leven – van haar barse opa tot haar lieve tante Pop en brutale neef Noel. Het publiek gilt om de seksgrapjes van de neefjes, grinnikt als De la Parra haar opa’s Surinaamse accent imiteert en zucht instemmend bij de scène over de 200 duizend Surinaamse gulden die opa heeft gespaard en na de devaluatie nog maar 200 gulden waard zijn. Tranen bij de sterfscène van Mavis. Ongemakkelijk geschuif op de stoelen als De la Parra ontdekt dat haar voorouders slaven hielden.

Op de achterste rij zit haar vader roerloos te luisteren. Soms gniffelt hij zachtjes. Na afloop geeft hij op het podium bloemen aan zijn dochter en fluistert haar hij iets in haar oor.

Buiten staat een lange tafel klaar met taart, hartige soesjes en ‘groene soft’ – gifgroene frisdrank. De vrouwen dragen lange jurken, hoge hakken en sieraden, de mannen in de vouw gestreken overhemden. Een man met een keppeltje zegt: ‘Het is de geschiedenis, mevrouw. Wat is gebeurd, is gebeurd. Luister, mijn vader was pikzwart. Mijn moeder is lichtbloedig. We waren slavenmeesters, maar ook slaven. Iederéén hier is moksi.’

De volgende dag halen we Pim de la Parra op bij zijn huisje aan de Prins Hendriklaan, een rustige straat in de binnenstad. Een bed onder een klamboe, overal stapels boeken. Aan de muur het verlovingsportret van zijn ouders uit 1933. Hij woont alweer 23 jaar in Suriname, vertelt hij. Toen zijn vader ziek werd in 1996 is hij teruggegaan om voor hem te zorgen, en na diens dood, in 1998, is hij gebleven. Op zijn damesfiets met gebloemde fietstassen rijdt hij voor ons uit naar het eethuisje waar hij vier keer per week luncht: roti met kip en groenten. ‘Met je handen eten hoor’, zegt hij, ‘zo hoort dat hier.’ Zelf eet hij met een vork.

Als ik vraag naar zijn herinneringen aan zijn moeder Mavis valt Pim stil. ‘Ik heb schroom’, zegt hij terughoudend. ‘En we hebben het nu over Bodil.’

Die heeft zich afgewend, doet alsof ze niet luistert. Die ochtend had ze gezegd dat ze zo’n gesprek met Pim over haar werk lastig vindt. Ze bespreekt haar werk nooit met haar familie. ‘Vooraf niet, en ook niet achteraf. Ik wil niet horen: zo was het niet. Het is míjn verhaal. ’

We praten over de kunst van het verhalen vertellen. Heeft Bodil haar talent van hem geërfd? Nee, zegt Pim. Ja, knikt Bodil. De kunst is, zegt ze, ‘om het verhaal te zien, het verhaal van je leven.’ Dan moet ze weg, naar de tv-studio, voor een item in het journaal. Haar voorstelling – inmiddels zijn alle avonden uitverkocht – is groot nieuws hier. De radio, de tv, de ParbodeDe Ware Tijd; allemaal willen ze interviews.

Een paar dagen later maken we een uitstapje naar Jodensavanne. Ooit de eerste enclave van de Joden in de 17de eeuw, nu wat brokstukken aan de Surinamerivier. Hier legden de nieuwe bewoners suikerrietplantages aan waarvoor ze duizenden slaven haalden uit Afrika.

Marina da Costa, de gids, is net als Bodil de la Parra een nazaat van een van die families. Ze wijst op de ruïne van de synagoge. ‘Gebouwd in 1685. De oudste stenen sjoel op het westelijk halfrond.’ Op de begraafplaats proberen zij en De la Parra de namen op de versleten grafstenen te ontcijferen. Ze haalt een zakje meel uit haar tas. ‘Kijk’, zegt ze, ‘als je dit op de letters strooit, kun je ze beter lezen.’ Warempel, de ene na de andere De la Parra komt te voorschijn, in sierlijke letters uit het steen gehouwen. En die kleine grijze grafstenen aan de overkant van de weg, vraagt De la Parra, die zijn toch van de slaven? Nee, zegt Marina, die werden op de plantages begraven. Die grafstenen zijn van de vrijgekochte slaven. ‘Als een plantagehouder een kind maakte bij een slavin kocht hij soms dat kind vrij. Die mocht dan hier op de Joodse begraafplaats worden begraven.’

De la Parra knielt bij een klein graf: ‘Hier ligt een Annetje van De la Parra. Jezus, dat ‘van’! Dat betekent gewoon dat je ‘van’ een De la Parra was. Zijn bezit dus.’

Een paar dagen later fietsen we naar de Costerstraat. We stoppen bij een braakliggend stukje grond waar tussen het onkruid twee autowrakken zijn gestald. Hier stond, vertelt De la Parra, tot een paar jaar geleden een van de drogisterijen van de familie, met erachter een prieeltje voor oma Mavis. In dit huis woonde opa de laatste jaren van zijn leven. ‘Ik herinner me dat ik met hem naar de Dolfijn zou gaan, de zwemclub waar ze lekkere witpuntbroodjes hadden. Dat hij nog in pyjama was, en ik wel anderhalf uur op hem moest wachten omdat hij eerst met een tandenborstel zijn haren zwart moest verven.’

We fietsen verder, door straten met gaten in het wegdek, langs afgebladderde houten huizen met dievenijzer voor de ramen, langs winkels met golfplaten daken. Voorbij de synagoge slaan we links de Zwartenhovenbrugstraat in. Na een paar honderd meter zet De la Parra haar fiets tegen de pui van een winkel met huishoudelijke artikelen. Dan draait ze zich om. Ze kijkt naar de overkant, naar een vierkant grijs pand. ‘Daar stond het huis dat is afgebrand.’ Ze is stil. ‘Ze hebben echt het allerlelijkste gebouw dat je maar kunt verzinnen ervoor in de plaats gezet.’

Achter haar draait een vrouw haar winkel op slot. ‘Mevrouw’, zegt De la Parra verrast. ‘Herkent u mij nog?’ ‘Natuurlijk’, zegt de vrouw, ‘je bent een De la Parra.’ Ze kijkt nu ook naar de overkant. “Ik moet nog vaak aan ze denken hoor, aan je tantes. Ik heb ze allemaal gekend. Nu is er niks meer.’

‘Nee, nu is er niks meer’, zegt De la Parra. Dan stapt ze weer op haar fiets.

Die avond breekt voor ’t eerst haar stem als ze bij het einde komt, wanneer ze speelt hoe ze met haar vader naar het afgebrande huis gaat kijken. 

‘Ach, het is maar een huisje, hè’, zegt mijn vader. Hij heeft al vroeg in zijn leven geleerd zich nergens aan te hechten. ‘Alles gaat weg, dat is altijd zo geweest. Je zult je erbij neer moeten leggen. Het leven weet wat het doet. En je kan de verhalen toch nog vertellen?’

Het verbrande huis gaat vanaf januari 2020 in reprise.

INDIË MONOLOGEN

Over de Chinees-Indische familie van moederskant maakte Bodil de la Parra de voorstellingen Ouwe Pinda’s (2014) en Gouwe Pinda’s (2017). Vanaf 18 april is ze te zien en te horen in de Indië Monologen. Daarin vertelt ze over haar jeugdjaren in Amsterdam-Osdorp waar ze met haar Indonesische opa, oma en oom in dezelfde flat woonde.

Bron: https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/bodil-de-la-parra-ging-naar-suriname-om-haar-familiegeschiedenis-op-de-planken-te-brengen~bc03df31/

Publicatie datum: | Bron: volkskrant.nl | Door: José Rozenbroek10 april 2019, 18:58

Ga terug