
Bronto Somohardjo, artikel 11 WIPA en de rechtsstaat: wanneer de wet geen ruimte laat voor politieke interpretatie (OPINIE)
| surinamevandaag | Door: Redactie
(Door K. Ramdhan) – De kwestie-Bronto Somohardjo draait uiteindelijk om één fundamentele vraag: hebben de rechtsgevolgen die de wet verbindt aan een in staat van beschuldigingstelling onverkort werking, of wordt hun betekenis bepaald door politieke opportuniteit?
Sommigen betogen dat artikel 11 lid 3 van de Wet In Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers (WIPA) niet op Somohardjo van toepassing is. Hij wordt immers vervolgd wegens vermeende strafbare feiten gepleegd tijdens zijn ministerschap, terwijl hij thans lid is van De Nationale Assemblée (DNA).
Die opvatting lijkt echter moeilijk verenigbaar met de tekst, systematiek en doelstelling van zowel de WIPA als artikel 140 van de Grondwet.
Artikel 11 lid 3 WIPA bepaalt:
“Onmiddellijk na het besluit van De Nationale Assemblée om de politieke ambtsdrager in staat van beschuldiging te stellen, is de betrokken
Vanuit grammaticaal-juridisch perspectief zijn de woorden “onmiddellijk, is en van rechtswege” doorslaggevend. Zij wijzen op een automatisch intredend rechtsgevolg dat rechtstreeks uit de wet voortvloeit. De bepaling bevat geen aanwijzing dat nog een afzonderlijk besluit van een staatsorgaan vereist zou zijn.
De vraag is vervolgens of Somohardjo ten tijde van de in staat van beschuldigingstelling een politieke ambtsdrager in functie was.
Ook daarop geeft de wet zelf antwoord. Artikel 1 onder c WIPA rekent onder politieke ambtsdragers onder meer personen die lid zijn van volksvertegenwoordigende lichamen die bij of krachtens de Grondwet zijn ingesteld. Leden van De Nationale Assemblée vallen rechtstreeks onder die omschrijving.
Daarmee ontbreekt een duidelijke wettelijke grondslag voor de stelling dat een DNA-lid
Een veelgehoord tegenargument luidt dat artikel 11 lid 3 uitsluitend betrekking heeft op het ambt waarin de vermeende strafbare feiten zouden zijn gepleegd. Omdat Somohardjo geen minister meer is, zou schorsing volgens die redenering niet mogelijk zijn.
Voor die opvatting biedt de wet echter geen expliciet aanknopingspunt.
Artikel 11 lid 3 spreekt niet over het ambt waarin de feiten zouden zijn gepleegd, maar over “de betrokken politieke ambtsdrager die in functie is”. De vervolging is gekoppeld aan het ambt waarin de verweten gedragingen zouden hebben plaatsgevonden; de schorsing is gekoppeld aan het politieke ambt dat de betrokkene op het moment van de in staat van beschuldigingstelling bekleedt.
Juist daarom is de toevoeging “die in functie is” juridisch relevant.
Een uitleg die deze woorden grotendeels betekenisloos maakt, verdraagt zich moeilijk met het interpretatiebeginsel dat wettelijke bepalingen zoveel mogelijk praktische werking behoren te behouden.
Ook de systematische interpretatie wijst in dezelfde richting.
Artikel 140 van de Grondwet bepaalt dat politieke ambtsdragers wegens misdrijven, in die betrekking gepleegd, ook na hun aftreden terechtstaan voor het Hof van Justitie. De grondwetgever heeft daarmee willen voorkomen dat politieke ambtsdragers aan vervolging kunnen ontkomen door hun functie neer te leggen.
De WIPA vormt de wettelijke uitwerking van deze grondwettelijke regeling. Het zou daarom moeilijk verklaarbaar zijn indien de wet wel voorziet in vervolging van gewezen politieke ambtsdragers, maar de schorsingsregeling buiten toepassing laat zodra de betrokkene inmiddels een ander politiek ambt bekleedt. Een dergelijke uitleg zou de samenhang tussen artikel 140 van de Grondwet en artikel 11 lid 3 WIPA aanzienlijk verzwakken.
Ook de teleologische interpretatie ondersteunt deze benadering.
De ratio van artikel 11 lid 3 lijkt te zijn dat een politieke ambtsdrager die door De Nationale Assemblée voldoende zwaarwegend wordt geacht om in staat van beschuldiging te worden gesteld, gedurende de strafprocedure niet ongehinderd een publiek ambt blijft uitoefenen. Daarmee worden niet alleen de belangen van de strafvordering gediend, maar ook het vertrouwen in de integriteit van publieke instituties.
Die doelstelling zou grotendeels worden
De grammaticale, systematische en teleologische interpretatie leiden daarmee telkens in dezelfde richting. Somohardjo is wegens vermeende ambtsmisdrijven uit zijn ministerschap in staat van beschuldiging gesteld. Op het moment van die beslissing was hij lid van De Nationale Assemblée. De WIPA kwalificeert DNA-leden uitdrukkelijk als politieke ambtsdragers en bepaalt dat een politieke ambtsdrager die in functie is onmiddellijk en van rechtswege wordt geschorst.
Tegen die achtergrond ligt de conclusie voor de hand dat artikel 11 lid 3 de schorsing koppelt aan het actuele politieke ambt dat de betrokkene bekleedt en niet uitsluitend aan het ambt waarin de verweten gedragingen zouden zijn gepleegd.
De kern van deze discussie reikt echter verder dan de persoon van Bronto Somohardjo. Uiteindelijk staat
In een democratische rechtsstaat behoort het recht richting te geven aan de politiek en niet omgekeerd. Juist in politiek gevoelige dossiers wordt zichtbaar of wettelijke normen daadwerkelijk leidend zijn, of dat politieke wenselijkheid uiteindelijk zwaarder weegt dan het recht. Indien artikel 11 WIPA nog enige normatieve betekenis heeft, dan kan de conclusie slechts luiden dat de rechtspositie van Bronto Somohardjo als gewezen minister en tegelijkertijd fungerend DNA-lid juridisch ondeelbaar en staatsrechtelijk onhoudbaar is. Anders wordt de wet niet toegepast, maar politiek geïnterpreteerd.”
K. (Chinta) Ramdhan
| surinamevandaag | Door: Redactie




































