
Selectieve verontwaardiging als constitutioneel falen (OPINIE)
| surinamevandaag | Door: Redactie
(Door K. Ramdhan) – De politieke en maatschappelijke beroering over de uitspraak van DNA-lid Cedric van Samson – “nooit meer een vrouw als president” – heeft zich ontwikkeld tot een debat over de grenzen van de politieke vrijheid van meningsuiting en het discriminatieverbod. Dat debat is noodzakelijk, maar dreigt zijn constitutionele betekenis te verliezen wanneer het wordt gevoerd vanuit politieke selectiviteit in plaats van juridische consistentie.
Van Samson heeft naderhand verklaard dat zijn uitlatingen uit hun context zijn gehaald en dat hij niet heeft beoogd het vrouw-zijn als zodanig in diskrediet te brengen, maar veeleer kritiek te uiten op vermeend bestuurlijk falen.
Wie het volledige interview analyseert, kan inderdaad tot de conclusie komen dat sprake was van een retorisch ongelukkige overdrijving, eerder dan van een weloverwogen pleidooi om vrouwen categorisch van het hoogste politieke ambt uit te sluiten.
Die nuancering doet echter niet af aan de constitutionele relevantie van de oorspronkelijke uitlating. Publieke ambtsdragers dragen een bijzondere verantwoordelijkheid voor het publieke debat, ook buiten het parlement. Hun uitlatingen worden niet uitsluitend beoordeeld naar de subjectieve bedoeling van de spreker, maar eveneens naar hun objectieve betekenis en maatschappelijke impact. De vrijheid van meningsuiting geldt als een fundamenteel grondrecht, doch biedt geen rechtvaardiging voor uitlatingen die de suggestie wekken dat personen louter op basis van hun geslacht minder geschikt zouden zijn voor het bekleden van publieke ambten.
Dat uitgangspunt vindt zijn grondslag in artikel 8 van de Grondwet van Suriname, waarin het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod zijn verankerd. Daarnaast is Suriname gebonden aan artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en aan de artikelen 2 en 7 van het VN-Vrouwenverdrag (CEDAW), die staten verplichten discriminatie actief te bestrijden en
Ook de rechtspraak bevestigt dit uitgangspunt. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in Erbakan t. Turkije (EHRM 6 juli 2006, nr. 59405/00) en Féret t. België (EHRM 16 juli 2009, nr. 15615/07) dat politici een bijzondere verantwoordelijkheid dragen om uitlatingen te vermijden die discriminatie, intolerantie of maatschappelijke uitsluiting kunnen aanwakkeren. Politieke vrijheid van meningsuiting geniet een hoge mate van bescherming, maar is niet absoluut wanneer fundamentele gelijkheidsnormen in het geding zijn. In dezelfde lijn bevestigde de Hoge Raad in het arrest van 6 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1036) dat ook politieke uitlatingen onder omstandigheden strafrechtelijke grenzen kunnen overschrijden. Hoewel deze jurisprudentie niet rechtstreeks bindend is voor Suriname, biedt zij gezaghebbende interpretatiekaders voor de verhouding
Juist daarom is de uitspraak van Van Samson constitutioneel relevant. De vraag is echter of de maatschappelijke en politieke reactie daarop eveneens aan constitutionele maatstaven voldoet.
Daar wringt het. De huidige verontwaardiging contrasteert scherp met eerdere gevallen waarin etnisch denigrerende uitlatingen of oproepen tot uitsluiting in het publieke debat nauwelijks tot vergelijkbare politieke of institutionele reacties hebben geleid. Uitspraken als “nooit meer een koelie als president” zijn herhaaldelijk via sociale media verspreid en publiekelijk gedeeld, zonder dat sprake was van een vergelijkbare politieke mobilisatie of brede institutionele afkeuring. Ook eerdere uitlatingen waarin etnische stereotypen werden gebruikt, waaronder de veelbesproken “kronto oli”-uitspraak van Pakkitow tijdens een NDP-bijeenkomst, hebben geen vergelijkbare constitutionele of politieke discussie op gang gebracht. Of men deze voorbeelden inhoudelijk juist acht, is niet de kern van de zaak; zij roepen in ieder geval de
Vanuit constitutioneel perspectief is een dergelijk onderscheid moeilijk verdedigbaar. Het discriminatieverbod kent geen hiërarchie van beschermde kenmerken. Geslacht en etnische afkomst worden in gelijke mate beschermd door artikel 8 van de Grondwet, evenals door de internationale mensenrechtenverdragen waarbij Suriname is aangesloten. Rechtsgelijkheid veronderstelt dat constitutionele normen op vergelijkbare gevallen op consistente wijze worden toegepast. Wanneer de maatschappelijke of politieke reactie afhankelijk wordt van de identiteit van de getroffen groep of van de politieke kleur van de spreker, ontstaat het risico van willekeur. Daarmee wordt niet alleen het vertrouwen in de onpartijdigheid van publieke instituties aangetast, maar ook de normatieve werking van het discriminatieverbod zelf.
Dit betekent geenszins dat de uitlating van Van Samson moet worden gebagatelliseerd. Van publieke ambtsdragers mag worden verlangd dat zij zorgvuldig omgaan met taal die groepen burgers
De kern van deze kwestie reikt daarom verder dan één ongelukkige uitspraak van één parlementariër. Zij confronteert Suriname met een fundamentelere vraag: zijn grondrechten werkelijk universele constitutionele normen, of worden zij slechts met kracht verdedigd wanneer zij politiek of maatschappelijk goed uitkomen?
De Grondwet beschermt geen populaire minderheden en evenmin impopulaire meerderheden; zij beschermt iedere burger tegen willekeur. Juist daarom kan een democratische rechtsstaat zich geen selectieve verontwaardiging permitteren. Wie discriminatie slechts veroordeelt wanneer de doelgroep of de spreker politiek gelegen komt, verdedigt uiteindelijk niet het gelijkheidsbeginsel, maar ondermijnt het.
K. (Chinta) Ramdhan
| surinamevandaag | Door: Redactie































