
CCJ wijst beroep Mohameds af; uitleveringszaak VS gaat verder
| chronostimes | Door: Redactie
Het Caribbean Court of Justice (CCJ) heeft op woensdag 29 juli het beroep van de Guyanese oppositieleider Azruddin Mohamed en zijn vader Nazar Mohamed verworpen. Daarmee kan de uitleveringsprocedure, die op verzoek van de Verenigde Staten is gestart, worden voortgezet.
Het uitleveringsverzoek werd op 28 oktober 2025 door de regering van Guyana ontvangen. Twee dagen later gaf de minister van Binnenlandse Zaken een Authority to Proceed (ATP) af, waarmee de uitleveringsprocedure formeel in gang werd gezet.
Azruddin Mohamed en zijn vader stapten vervolgens naar de rechter en voerden aan dat de ATP ongeldig was, omdat deze volgens hen was beïnvloed door daadwerkelijke of schijnbare vooringenomenheid. Zij verwezen daarbij naar publieke uitlatingen van hoge regeringsfunctionarissen tijdens de verkiezingscampagne van 2025. Ook stelden zij dat de minister ten onrechte overleg had gevoerd met de procureur-generaal, die volgens hen eveneens vooringenomen was.
Zowel het High Court als het Hof van Beroep wees hun bezwaren af. Vervolgens vroegen zij het CCJ om bijzondere toestemming om in beroep te gaan. Het Hof besloot zowel dat verzoek als het inhoudelijke beroep gelijktijdig te behandelen en schorste de uitleveringsprocedure voorlopig in afwachting van de uitspraak.
President Winston Anderson en rechter Adrian Saunders Barrow oordeelden namens de meerderheid dat de bijzondere toestemming voor het beroep moest worden verleend, maar verwierpen het inhoudelijke beroep. Volgens hen kan de regel tegen vooringenomenheid wel van toepassing zijn op de afgifte van een ATP, maar is vermeende politieke vooringenomenheid op zichzelf onvoldoende om die beslissing ongeldig te verklaren. De rechters concludeerden dat de appellanten niet hadden aangetoond dat de ATP daadwerkelijk door vooringenomenheid was beïnvloed. Ook wezen zij erop dat een ATP slechts een voorlopige administratieve stap vormt binnen het uitleveringsproces.
De rechters Rajnauth-Lee, Jamadar en Bulkan kwamen in een afzonderlijke motivering eveneens tot de conclusie dat het beroep moest worden verworpen. Zij oordeelden dat er geen juridische belemmering bestaat om een ATP al in een vroeg stadium via een rechterlijke toetsing aan te vechten wanneer vooringenomenheid wordt aangevoerd. Hoewel zij geen schijn van vooringenomenheid bij de minister zagen, achtten zij wel dat er een reële mogelijkheid bestond van schijnbare vooringenomenheid bij de procureur-generaal. Volgens hen had dit echter geen invloed gehad op de besluitvorming van de minister en maakte dit de ATP niet ongeldig. Zij benadrukten tevens het belang van rechterlijke onafhankelijkheid en
In een afzonderlijke opinie onderschreven de rechters Ononaiwu en Eboe-Osuji eveneens de verwerping van het beroep. Zij stelden dat beschuldigingen van vooringenomenheid moeten worden beoordeeld vanuit het perspectief van een redelijk en goed geïnformeerd waarnemer die alle omstandigheden in aanmerking neemt. Volgens hen was in deze zaak geen sprake van vooringenomenheid. Ook wezen zij erop dat de uitleveringsprocedure zelf voldoende waarborgen biedt om eventuele onrechtvaardigheid aan de orde te stellen.
Het CCJ verleende unaniem bijzondere toestemming voor het beroep, maar verwierp het inhoudelijke beroep. De eerder opgelegde schorsing van de uitleveringsprocedure is opgeheven. Daarnaast bepaalde het Hof dat iedere partij haar eigen proceskosten bij het CCJ draagt. Over de proceskosten in de lagere instanties wordt op een later moment beslist.
Het beroep werd behandeld door de voltallige CCJ-bank, bestaande uit
| chronostimes | Door: Redactie




































