
Wanneer een strafzaak de parlementaire controle dreigt te verstikken
| starnieuws | Door: Redactie
De weigering van de pg roept fundamentele vragen op over de rechtsstaat in Suriname
De weigering van procureur-generaal (pg) Garcia Paragsingh om parlementariër Bronto Somohardjo cijfers te verstrekken over het algemene vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie (OM), verdient meer dan een politieke reactie. Zij raakt aan een fundamentele vraag: hoe kan het parlement de regering controleren wanneer informatie over de uitvoering van het vervolgingsbeleid ontbreekt?
Somohardjo vroeg op 20 oktober 2026 om statistieken over de behandeling van verdachten bij onder meer
Een persoonlijke strafzaak is geen antwoord op een beleidsvraag
In haar brief van 28 oktober 2026 wees de PG het verzoek af. Als reden noemde zij mede dat tegen Somohardjo een strafrechtelijk onderzoek loopt dat nog niet is afgerond. Volgens de berichtgeving lichtte zij niet nader toe welk verband dat onderzoek heeft met de gevraagde algemene statistieken.
Daar ligt de kern van het probleem. Somohardjo vroeg niet om zijn eigen strafdossier, onderzoeksgegevens of informatie over getuigen en bewijsmateriaal. Hij vroeg om algemene cijfers over vervolgingsbeslissingen. Een lopend onderzoek kan geheimhouding noodzakelijk maken wanneer
Als de pg meent dat openbaarmaking een concreet risico oplevert, mag worden verwacht dat zij dat risico en de wettelijke grondslag voor de weigering toelicht. Een verwijzing naar een persoonlijke strafzaak verklaart op zichzelf niet waarom algemene beleidsinformatie niet kan worden verstrekt.
De Grondwet verdeelt verantwoordelijkheden
De Surinaamse Grondwet maakt onderscheid tussen de taken van het OM en de verantwoordelijkheid voor het algemene vervolgingsbeleid. Artikel 145 belast het OM met opsporing en vervolging. Artikel 146 bepaalt dat de PG aan het hoofd staat van het OM. Artikel 148 legt het algemene vervolgingsbeleid bij de regering.
De PG moet haar wettelijke taken onafhankelijk uitvoeren en mag niet worden gedwongen een individuele verdachte wel of niet te vervolgen. Maar de regering draagt verantwoordelijkheid voor het algemene vervolgingsbeleid en moet daarover tegenover het
Artikel 85 bepaalt dat de regering De Nationale Assemblée de verlangde inlichtingen verstrekt. Dat betekent niet zonder meer dat de PG verplicht is iedere individuele parlementariër rechtstreeks alle gevraagde informatie te geven. Het betekent wel dat de regering haar informatieplicht serieus moet nemen. Zij kan zich niet eenvoudig achter de zelfstandige positie van het OM verschuilen wanneer het parlement vragen stelt over het algemene beleid waarvoor zij verantwoordelijk is.
Onafhankelijkheid is geen oncontroleerbaarheid
Artikel 131 lid 3 verbiedt inmenging in opsporing en vervolging en in zaken die bij de rechter aanhangig zijn. Die bescherming is belangrijk: parlementaire controle mag geen individueel strafonderzoek beïnvloeden. Maar dit verbod mag niet worden opgerekt tot een algemeen verbod op vragen over het OM.
Er is een verschil tussen bemoeienis met een individueel dossier en controle op de algemene beleidsuitvoering. Het eerste kan een onderzoek schaden; het tweede
Het OM hoeft geen gegevens te verstrekken die het niet registreert. Privacyregels kunnen grenzen stellen. Dan ligt een gedeeltelijk antwoord voor de hand: vermeld welke gegevens beschikbaar zijn, welke niet worden bijgehouden en waarom bepaalde informatie niet kan worden verstrekt. Het anonimiseren of samenvoegen van gegevens kan bovendien voorkomen dat individuele personen herkenbaar worden.
Een gevaarlijk precedent
Somohardjo staat, net als iedere burger, onder de wet. Zijn parlementaire positie geeft hem geen vrijstelling
De pg moet aangeven op welke wettelijke grondslag zij de weigering baseert en waarom de statistieken het lopende onderzoek zouden kunnen raken. De regering moet uitleg geven over de uitvoering van het algemene vervolgingsbeleid, zonder vertrouwelijke informatie uit individuele strafzaken prijs te geven.
Het gaat erom of de constitutionele verantwoordelijkheden van regering, OM en parlement naast elkaar kunnen functioneren. Onafhankelijkheid beschermt het OM tegen ongeoorloofde inmenging; zij ontslaat de overheid niet van verantwoording over het algemene beleid. Een strafzaak mag geen rookgordijn worden waarachter de parlementaire controle verdwijnt. Wie de rechtsstaat verdedigt, moet ook bereid zijn haar werking inzichtelijk te maken.
R.A. Boldewijn, LLB
De weigering van procureur-generaal (pg) Garcia Paragsingh om parlementariër Bronto Somohardjo cijfers te verstrekken over het algemene vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie (OM), verdient meer dan een politieke reactie. Zij raakt aan een fundamentele vraag: hoe kan het parlement de regering controleren wanneer informatie over de uitvoering van het vervolgingsbeleid ontbreekt?
Somohardjo vroeg op 20 oktober 2026 om statistieken over de behandeling van verdachten bij onder meer
drugsdelicten, huiselijk geweld, mishandeling, diefstal en fraude. Hij wilde weten hoeveel verdachten werden vervolgd en hoeveel zaken werden geseponeerd. Ook vroeg hij om gegevens over mogelijke verschillen naar etnische afkomst, financiële draagkracht en maatschappelijke positie. Dat zijn vragen van publiek belang. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat het strafrecht zonder aanzien des persoons wordt toegepast.
Een persoonlijke strafzaak is geen antwoord op een beleidsvraag
In haar brief van 28 oktober 2026 wees de PG het verzoek af. Als reden noemde zij mede dat tegen Somohardjo een strafrechtelijk onderzoek loopt dat nog niet is afgerond. Volgens de berichtgeving lichtte zij niet nader toe welk verband dat onderzoek heeft met de gevraagde algemene statistieken.
Daar ligt de kern van het probleem. Somohardjo vroeg niet om zijn eigen strafdossier, onderzoeksgegevens of informatie over getuigen en bewijsmateriaal. Hij vroeg om algemene cijfers over vervolgingsbeslissingen. Een lopend onderzoek kan geheimhouding noodzakelijk maken wanneer
verstrekking van informatie het onderzoek schaadt. Maar dat betekent niet automatisch dat algemene statistieken moeten worden achtergehouden.
Als de pg meent dat openbaarmaking een concreet risico oplevert, mag worden verwacht dat zij dat risico en de wettelijke grondslag voor de weigering toelicht. Een verwijzing naar een persoonlijke strafzaak verklaart op zichzelf niet waarom algemene beleidsinformatie niet kan worden verstrekt.
De Grondwet verdeelt verantwoordelijkheden
De Surinaamse Grondwet maakt onderscheid tussen de taken van het OM en de verantwoordelijkheid voor het algemene vervolgingsbeleid. Artikel 145 belast het OM met opsporing en vervolging. Artikel 146 bepaalt dat de PG aan het hoofd staat van het OM. Artikel 148 legt het algemene vervolgingsbeleid bij de regering.
De PG moet haar wettelijke taken onafhankelijk uitvoeren en mag niet worden gedwongen een individuele verdachte wel of niet te vervolgen. Maar de regering draagt verantwoordelijkheid voor het algemene vervolgingsbeleid en moet daarover tegenover het
parlement verantwoording kunnen afleggen.
Artikel 85 bepaalt dat de regering De Nationale Assemblée de verlangde inlichtingen verstrekt. Dat betekent niet zonder meer dat de PG verplicht is iedere individuele parlementariër rechtstreeks alle gevraagde informatie te geven. Het betekent wel dat de regering haar informatieplicht serieus moet nemen. Zij kan zich niet eenvoudig achter de zelfstandige positie van het OM verschuilen wanneer het parlement vragen stelt over het algemene beleid waarvoor zij verantwoordelijk is.
Onafhankelijkheid is geen oncontroleerbaarheid
Artikel 131 lid 3 verbiedt inmenging in opsporing en vervolging en in zaken die bij de rechter aanhangig zijn. Die bescherming is belangrijk: parlementaire controle mag geen individueel strafonderzoek beïnvloeden. Maar dit verbod mag niet worden opgerekt tot een algemeen verbod op vragen over het OM.
Er is een verschil tussen bemoeienis met een individueel dossier en controle op de algemene beleidsuitvoering. Het eerste kan een onderzoek schaden; het tweede
maakt controle op een zorgvuldige en gelijke toepassing van het strafrecht mogelijk.
Het OM hoeft geen gegevens te verstrekken die het niet registreert. Privacyregels kunnen grenzen stellen. Dan ligt een gedeeltelijk antwoord voor de hand: vermeld welke gegevens beschikbaar zijn, welke niet worden bijgehouden en waarom bepaalde informatie niet kan worden verstrekt. Het anonimiseren of samenvoegen van gegevens kan bovendien voorkomen dat individuele personen herkenbaar worden.
Een gevaarlijk precedent
De kwestie reikt verder dan Somohardjo. Wat gebeurt er wanneer een andere parlementariër die onderwerp is van een strafrechtelijk onderzoek, algemene beleidsinformatie opvraagt? Mag diens persoonlijke juridische positie dan eveneens worden aangevoerd om een verzoek over het functioneren van het OM af te wijzen? Zo'n benadering kan de indruk wekken dat parlementaire controle afhankelijk wordt van de persoonlijke omstandigheden van degene die vragen stelt.
Somohardjo staat, net als iedere burger, onder de wet. Zijn parlementaire positie geeft hem geen vrijstelling
van een strafrechtelijk onderzoek. Maar zijn positie als verdachte mag evenmin zonder deugdelijke wettelijke motivering worden gebruikt om zijn controlerende werkzaamheden te beperken.
De pg moet aangeven op welke wettelijke grondslag zij de weigering baseert en waarom de statistieken het lopende onderzoek zouden kunnen raken. De regering moet uitleg geven over de uitvoering van het algemene vervolgingsbeleid, zonder vertrouwelijke informatie uit individuele strafzaken prijs te geven.
Het gaat erom of de constitutionele verantwoordelijkheden van regering, OM en parlement naast elkaar kunnen functioneren. Onafhankelijkheid beschermt het OM tegen ongeoorloofde inmenging; zij ontslaat de overheid niet van verantwoording over het algemene beleid. Een strafzaak mag geen rookgordijn worden waarachter de parlementaire controle verdwijnt. Wie de rechtsstaat verdedigt, moet ook bereid zijn haar werking inzichtelijk te maken.
R.A. Boldewijn, LLB
| starnieuws | Door: Redactie




































