• vrijdag 30 September 2022
  • Het laatste nieuws uit Suriname

Is onverbindendverklaring van Constitutioneel Hof noodzakelijk?

| dagblad suriname | Door: Redactie

Na de uitspraak van vrijdag 5 augustus 2022 is mij van verschillende zijden de vraag voorgelegd wat de consequenties zijn van de uitspraak van het Constitutioneel Hof (CHof) inzake de toetsing van de Kiesregeling aan de Grondwet (G.W.) en internationale verdragen. 

Ik wijs erop dat ik voorlopig mijn informatie baseer op de mediaberichten, aangezien ik de uitspraak nog niet gelezen heb. Uit wetenschappelijk oogpunt is het niet juist commentaar te leveren op een uitspraak zonder deze gelezen te hebben. 

Vanwege de actualiteit en de behoefte aan informatie maak ik een uitzondering op deze regel. 

Dit doe ik mede omdat ik van mening ben

dat het antwoord op de hierboven gestelde vraag beantwoord is in het laatste nummer van het Surinaams Juristen Blad (SJB 2022 no. 1) in een artikel van de hand van Gerard Spong en Taco G. van der Zwaag die reageren op een artikel van Hugo Fernandes Mendes (HFM) in het SJB 2021 no. 3, die een analyse geeft van de eerste uitspraak van het CHof. 

Volgens Spong/van der Zwaag heeft HFM ongegronde kritiek geleverd op het feit dat het CHof in zijn eerste uitspraak – na de voorgelegde wet in strijd te hebben geoordeeld met de G.W. en verdragen – deze zelf niet onverbindend heeft verklaard. 

Volgens Spong/van der Zwaag erkent HFM dat de onverbindendheid van een wet na een dergelijk strijdigheidsoordeel van het CHof rechtstreeks uit artikel 144 lid G.W. voortvloeit – er is sprake van onverbindendheid ipso jure oftewel onverbindendheid van rechtswege –, maar hij (HFM) meent dat ter vaststelling hiervan een juridische tussenstap is gemaakt in de wet, te weten dat het CHof declaratoir moet vaststellen dat de wet geacht wordt onverbindend te zijn. HFM zou van mening zijn dat de vereiste declaratoire onverbindendverklaring zou zijn voorgeschreven door artikel 28 van de Wet Constitutioneel Hof. 

Spong/van der Zwaag betogen echter dat uit de wettekst, de wetssystematiek en de wetsgeschiedenis niet kan worden afgeleid dat het CHof verplicht is uitdrukkelijk te verklaren dat een wet – die het in strijd heeft geoordeeld met de G.W. of een verdrag – geacht wordt onverbindend te zijn. 

Zij komen tot de conclusie dat de kritiek van HFM ongegrond is. 

Naar mijn (CJ) mening is er geen groot verschil tussen de opvattingen van HFM en Spong/van der Zwaag, omdat HFM van oordeel is dat de onverbindendheid rechtstreeks uit de wet voortvloeit en hieruit moet worden afgeleid dat de declaratoire vaststelling ervan meer gezien moet worden als een verduidelijking. 

Dit omdat het dan begrijpelijker is voor het publiek wat door het CHof bedoeld is. 

Vermeldenswaard is dat het CHof geen deel uitmaakt van de Rechterlijke Macht. Dit betekent dat de leden van het CHof niet aangeduid mogen worden als rechters. Het CHof wordt grondwettelijk omschreven als een onafhankelijk orgaan, bestaande uit vijf gewone en drie plaatsvervangende leden die voor een periode van vijf jaren op voordracht van DNA door de President worden benoemd. 

De taak van het CHof is het toetsen van wetten of gedeelten daarvan aan de G.W. en aan van toepassing zijnde overeenkomsten met andere mogendheden en volkenrechtelijke organisaties. 

Het CHof is dus een staatsrechtelijk toetsingsorgaan, dat niet met wetgeving en rechtspraak is belast.

Het CHof doet uitspraak in eerste en enige instantie. Opgemerkt kan worden dat Nederland waar ons recht zijn roots heeft, geen CHof kent. 

Ik neem aan dat het thans een brandende vraag is wat na de uitspraak de volgende stap zal zijn. 

De Kiesregeling, althans artikelen daarvan, kunnen niet meer worden toegepast. Indien nu verkiezingen zouden worden gehouden op basis van de geldende Kiesregeling zouden die dus niet rechtsgeldig zijn. 

Aangenomen mag worden dat er nu werk aan de winkel is voor DNA om de Kiesregeling en eventueel andere door het CHof onverbindend verklaarde wetsproducten aan te passen, althans te wijzigen met inachtneming van de uitspraak van het CHof. 

Voor wijziging van de G.W. en de Kiesregeling is wel een twee/derde meerderheid vereist. De coalitie beschikt niet over deze meerderheid en het is de vraag of alle betrokken partijen t.a.v. het kiesstelsel op één lijn zitten. In ieder geval roept de uitspraak van het CHof vele vragen op waarop vooralsnog geen antwoord kan worden gegeven. 

In het voormeld artikel van Spong/van der Zwaag getiteld: Eist de wet een declaratoir onverbindendverklaring van het Constitutioneel Hof?, is de discussie tussen de hiervoor genoemde auteurs in extenso besproken. 

Carlo Jadnanansing 

| dagblad suriname | Door: Redactie