• zondag 14 August 2022
  • Het laatste nieuws uit Suriname

Is een onverbindendverklaring van Constitutioneel Hof noodzakelijk?

| starnieuws | Door: Redactie

Na de uitspraak (vrijdag 5 augustus 2022) is mij van verschillende zijden de vraag voorgelegd wat de consequenties zijn van de uitspraak van het Constitutioneel Hof (CHof) inzake de toetsing van de Kiesregeling aan de Grondwet (G.W.) en internationale verdragen. Ik wijs erop dat ik voorlopig mijn informatie slechts baseer op de mediaberichten, aangezien ik het vonnis nog niet zelf gelezen heb. Uit wetenschappelijk oogpunt is het niet juist commentaar te leveren op een rechterlijke uitspraak zonder deze gelezen te hebben. 

Vanwege de actualiteit en de behoefte aan informatie maak ik een uitzondering op deze regel. Dit doe ik mede omdat ik van mening ben dat de hierboven gestelde vraag beantwoord is in het laatste nummer van het Surinaams Juristen Blad (SJB 2022 no. 1) in een artikel van de hand van Gerard Spong en Taco G. van der Zwaag die reageren op een artikel van Hugo Fernandes Mendes (HFM) in het SJB 2021 no. 3, die een analyse geeft van de eerste uitspraak van het CHof. 

Volgens Spong c.s. heeft HFM ongegronde kritiek geleverd op het feit dat het CHof in zijn eerste uitspraak - na de voorgelegde wet in strijd te hebben geoordeeld met de G.W. en verdragen – deze zelf niet onverbindend heeft verklaard.
Volgens Spong c.s. erkent HFM dat de onverbindendheid van een wet na een dergelijk strijdigheidsoordeel van het CHof  rechtstreeks uit artikel 144 G.W. voortvloeit – er is sprake van onverbindendheid ipso jure oftewel onverbindendheid van rechtswege –, maar hij (HFM) meent dat ter vaststelling hiervan een juridische tussenstap is gemaakt in de wet, te weten dat het CHof declaratoir moet vaststellen dat de wet geacht wordt onverbindend te zijn. HFM zou van mening zijn dat de vereiste declaratoire onverbindendverklaring zou zijn voorgeschreven door artikel 28 van de Wet Constitutioneel Hof. 

Spong c.s. betogen echter dat uit de wetstekst, de wetssystematiek en de wetsgeschiedenis, niet kan worden afgeleid dat het CHof verplicht is uitdrukkelijk te verklaren dat een wet – die het in strijd heeft geoordeeld met de G.W. of een verdrag – geacht wordt onverbindend te zijn. Zij komen tot de conclusie dat de kritiek van HFM ongegrond is. 

Naar mijn (CJ) mening is er geen groot verschil tussen de opvattingen van HFM en Spong c.s., omdat HFM van oordeel is dat de onverbindendheid rechtstreeks uit de wet voortvloeit en hieruit moet worden afgeleid dat de declaratoire vaststelling ervan meer gezien moet worden als een verduidelijking. Dit, omdat het dan begrijpelijker is voor het publiek wat door het CHof bedoeld is. 

Ik neem aan dat het thans een brandende vraag is wat nu de volgende stap zal zijn. Aangenomen mag worden dat de Kiesregeling, althans artikelen daarvan, niet meer kunnen worden toegepast. Indien nu verkiezingen zouden worden gehouden op basis van de geldende Kiesregeling, zouden die dus niet rechtsgeldig zijn. Aangenomen mag worden dat er nu werk aan de winkel is voor DNA om de Kiesregeling en eventueel andere door het CHof onverbindend verklaarde wetsproducten aan te passen, althans te wijzigen met inachtneming van de uitspraak van het CHof. 

Geïnteresseerden wordt verwezen naar het artikel van Spong c.s. getiteld: Eist de wet een declaratoir onverbindendverklaring van het Constitutioneel Hof?, waarin de discussie tussen de hiervoor genoemde auteurs in extenso is besproken. 

Carlo Jadnanansing

| starnieuws | Door: Redactie