• woensdag 20 January 2021
  • Het laatste nieuws uit Suriname

“Na de maanden die het jaar afsluiten beginnen andere die gehoor zullen geven aan de roep om iets nieuws”

Datum: 20 Jan 2021 | Bron: CFG Nieuws | Door: Redactie

Het werd na zijn overlijden gepubliceerd, in 1977, onder de titel Srefidensie – ‘Zelfstandigheid’. Trefossa, die in 1975 overleed, heeft het dus geschreven nog voordat Suriname onafhankelijk werd, misschien kort daarvoor, misschien jaren eerder.

Van wingewest tot natiestaat. In zijn gedicht voorziet Trefossa de komende onafhankelijkheid van zijn land.

Hij lijkt er verlangend naar uit te zien, omdat de zelfstandigheid een eind kan maken aan de machten die het volk eeuwenlang hebben voortgedreven. Maar de toekomst is onzeker: “Wat voor winst zal er zijn aan het eind?” luidt een van andere strofen.

Een nieuwe maatschappij kan barsten vertonen en de toekomst rood kleuren. Vandaar de oproep: “Volk, lik de honing van de leugen niet waar uw chromosomen vol van zitten.

Reinig u, voordat een nieuwe heilige eed uw lippen verlaat”. Er komt altijd iets nieuws, schrijft Trefossa.

De toekomst kan rood kleuren, bloedrood. De leugens van het verleden zijn niet bij voorbaat weggewist.

Ik las het gedicht vele malen en begreep plotseling: dit gaat niet alleen over Suriname, maar ook over mijn eigen land. Ook in Nederland gaven we gehoor aan de roep om iets nieuws, bijvoorbeeld toen de slavernij werd afgeschaft en later opnieuw, toen we afstand moesten doen van onze macht als koloniale overheerser van het volk van Indonesië, en weer later, toen Suriname als onafhankelijke staat was uitgetreden uit het Koninkrijk der Nederlanden.

De leugens van het verleden als koloniale mogendheid waren niet een twee drie afgezworen. Neokoloniale arrogantie, discriminatie en institutioneel racisme zitten in de chromosomen van de Nederlandse samenleving.

De lei moet telkens opnieuw worden schoon gewist. Zonder zelfreiniging worden onze beloften hol.

Die boodschap richtte Trefossa niet alleen aan zijn eigen volk, maar ook aan Nederland. Onafhankelijkheid verwerven of verlenen is niet het zetten van een punt achter het verleden en het beginnen met een nieuw hoofdstuk in het boek van de geschiedenis.

Dat maakt onafhankelijkheid tot meer dan een formaliteit, meer dan een juridische formule, veel meer dan het afkondigen en erkennen van een nieuwe staat, los van de kolonisator van destijds. Zelfstandigheid bereiken betekent ook het herstellen van wat kapot was gemaakt, een nieuwe relatie aangaan op basis van gelijkwaardigheid, een staat omvormen tot een natie, een economie verduurzamen, een samenleving creëren waarin alle mensen tot hun recht komen, ongeacht hun afkomst of achtergrond.

Van wingewest tot natiestaat Een deel van dat proces heb ik in mijn boek over Suriname proberen te beschrijven: van wingewest tot natiestaat. Zo’n proces gaat gepaard met vallen en opstaan, met conflicten die moeten worden opgelost, met nu eens verwijdering en dan weer toenadering, met wederzijdse verwijten, met erkenning van schuld en verantwoordelijkheid, kortom met – aldus het gedicht – iedere keer weer proberen gehoor te geven aan de roep om iets nieuws.

Een paar conclusies wil ik hier herhalen. Suriname is van ver moeten komen.

Zij voerden er hun oorlogen met rivaliserende mogendheden, die net als de Nederlanden vanuit Europa andere continenten waren gaan koloniseren. Zij verdeelden samen met hen het territoir, bepaalden waar de grenzen lagen die het land afscheidden van andere wingewesten en decimeerden de inheemse bevolkingsgroepen.

Toen twee eeuwen later aan die slavernij een einde kwam, bevolkte het koloniale regime het land opnieuw van buitenaf, door in Brits Indië Hindoestaanse contractarbeiders te ronselen, en later Javaanse arbeiders uit onze andere kolonie in wat toen nog heette Nederlands Oost Indië. Zij werden tot slachtoffer gemaakt van uitbuiting door kapitalistische ondernemers die Suriname bleven zien als een wingewest.

De economische structuur van Suriname bleef geënt op koloniale exploitatie: afroming van het potentieel economisch surplus op basis van grondstoffen die er werden gewonnen, eenzijdige afhankelijkheid van Nederland voor export, import en investeringen, niet gericht op diversificatie of innovatie, maar op bestendiging van de status quo. Ook de culturele oriëntatie – taal, onderwijs, media en personenverkeer – was louter op Nederland afgestemd.

Vanaf het begin van de kolonisering tot het moment van de onafhankelijkheid bleef Suriname een samenraapsel van volken en rassen, met verschillende kleur, etnische achtergrond, taal, geloof en traditie, opeen gedreven door heersers die zelf ook van elders kwamen. De bevolking was een mengelmoes, het land geen smeltkroes, de natie geen resultaat van autonome sociale en economische processen waarin mensen hun eigen weg zochten, maar een van buitenaf opgelegde kunstmatige constructie.

‘Met elkaar’ betekende doorgaans: langs elkaar heen en ook langs de oorspronkelijke inheemse bevolking. Allen waren door uit het buitenland afkomstige machthebbers onderdrukt.

Met de afschaffing van de slavernij was daar geen eind aan gekomen. Schuld en verantwoordelijkheid Ik vrees dat weinigen in Nederland zich er vandaag den dag bewust van zijn dat onze geschiedenis er ook een is van uitbuiting, raciale onderdrukking en discriminatie.

Dat was anders in de jaren zestig en zeventig. Politiek links was meer dan nu georiënteerd op het buitenland – Vietnam, Indonesië, de bevrijdingsbewegingen in Afrika, de dekolonisatie wereldwijd – en op de geschiedenis.

Het gold ook voor het kabinet Den Uyl. Ik maakte deel uit van dat kabinet.

Ook al hadden we daar zelf niet aan meegedaan, toch voelden we ons verantwoordelijk, omdat we in de voetstappen traden van onze voorgangers en omdat de Nederlandse economie – en dus ook de Nederlandse bevolking – zeer lange tijd lang had geprofiteerd van de koloniale verhoudingen, zowel met Nederlands-Indië als met Suriname en de Antillen. Het viel niet meer terug te draaien, maar we konden wel een deel van de schuld inlossen, helpen de gevolgen van koloniale uitbuiting te verzachten, gemaakte fouten corrigeren, iets herstellen en compensatie aanbieden.

We wilden dat proces met betrekking tot Suriname en de Antillen anders doen verlopen dan onze voorgangers hadden gedaan inzake Indonesië: niet met geweld, niet door het voeren van een verdeel- en heerspolitiek, niet door te discrimineren, niet door Nederlandse belangen voorop te stellen, niet door de indruk te wekken dat we beter waren en het beter wisten dan degenen die zich van ons wensten los te maken, niet door uit te dragen dat we onze cultuur superieur achtten, maar door uitdrukkelijk uit te gaan van gelijke rechten voor iedereen. We hadden geen persoonlijk schuldgevoel, maar wel het besef van een collectieve schuld van een natie die zich ten koste van anderen had verrijkt en daarvan nog steeds de vruchten plukte.

Het gaat niet alleen om het onrecht in economische zin, maar ook om de vernedering die mensen met een andere kleur in de wingewesten moesten ondergaan en die ook door latere generaties wordt gevoeld, omdat institutioneel racisme voortwoekert. Over dat gevoel van schuld, schaamte en verantwoordelijkheid als een morele categorie en als uitgangspunt voor een andere ethische politiek wordt vaak schamper gedaan, maar ik geloof nog steeds dat dit enig juiste opstelling dient te zijn van een natie als Nederland, die zichzelf in de loop van de tijd bevoorrecht heeft ten koste van anderen.

Helaas gaat het in de huidige Nederlandse politiek minder om verantwoordelijkheid en solidariteit als wel om behartiging van eigen economische en veiligheidsbelangen, bevordering van de verdiencapaciteit van Nederlandse ondernemingen en het weren van migranten en vluchtelingen, niet zelden op barbaarse wijze. In 1975 speelden niet alleen overwegingen van moraliteit een rol.

De verhouding met Suriname kon nu eenmaal niet los gezien worden van de nieuwe verhoudingen in de wereld. De wereldwijde dekolonisatie was zo goed als afgerond.

Jarenlang had de Nederlandse diplomatie zich binnen de Verenigde Naties met juridische argumenten tegen kritiek van andere landen weten te verweren, maar in de jaren zeventig waren de verhoudingen op het wereldtoneel drastisch veranderd. Alles wees erop dat juridische redeneringen geen stand zouden houden tegenover politieke argumenten, te meer niet omdat Nederland zelf een voorvechter was van nieuwe internationale politieke en economische verhoudingen.

We moesten consequent zijn, juist omdat we ons in diezelfde jaren hadden ingezet voor bevrijdingsbewegingen, dekolonisatie, ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten. Het Statuut Terwijl het in het Nederland van de jaren zeventig ging om een nieuwe politieke generatie die wilde afrekenen met het verleden, waren in Suriname steeds meer mensen opgestaan die van ons verlangden dat we daar ernst mee gingen maken.

De nieuwe generatie was onderling nog steeds langs etnische lijnen verdeeld, maar had elkaar gevonden in een reeks van onderhandelingen met Nederland, die in 1954 uitmondden in een nieuw Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Toen ik in de jaren zestig op dat Statuut terugkeek was ik kritisch.

De stap was niet groot genoeg en leek verdere stappen voorwaarts te ontmoedigen. Ik vreesde dat het Statuut de verhoudingen bevroor en remmend zou werken op de weg naar de uiteindelijk onvermijdelijke dekolonisatie.

Later ben ik daar genuanceerder over gaan denken. Ik moest erkennen dat achtereenvolgende Nederlandse regeringen na 1954 de onafhankelijkheid van Suriname degelijker hadden voorbereid dan ik had verondersteld.

De rechtspraak was onafhankelijk, evenals politie en justitie, de pers vrij, de vakbeweging vrij en pluriform. De mensenrechten werden gerespecteerd.

In vergelijking met tal van andere ontwikkelingslanden was de praktijk in Suriname zo slecht nog niet. Kortom: Suriname was klaar om op eigen benen te staan.

Bij het Statuut hadden Lachmon en Pengel een belangrijke rol gespeeld. Vooral Lachmon was bereid zijn nek uit te steken om de samenwerking tussen Hindoestaanse, Islamitische en Creoolse groeperingen zo hecht mogelijk te maken.

Meer dan eens toonde hij zich bereid macht te delen en stappen opzij te zetten. Zijn verbroederingspolitiek was geen holle slogan, maar kreeg handen en voeten in het politieke bedrijf.

Zowel Arron als Lachmon gingen ver: Arron door zich aan de oppositie weinig gelegen te laten liggen en Lachmon door tot vlak voor het einde onverkort aan zijn eisen vast te houden. Maar geen van beiden ging tot het gaatje.

In de vijf jaren die daarop volgden vond wederom verwijdering plaats – Arron hield zich niet aan zijn belofte vervroegde verkiezingen uit te spreken en Lachmon weigerde de Staten bijeen te roepen -, maar dat was meer een kwestie van kinderziekten van een onafhankelijke staat die zijn weg moet vinden, dan een mislukking op alle fronten. Eigenlijk kan de hele periode vanaf het begin van de onderhandelingen over een nieuw Statuut, eind jaren veertig, tot aan 1975, toen de onafhankelijkheid een feit werd, beschouwd worden als een gezamenlijk program van voorbereiding van die onafhankelijkheid.

Daarmee doorgaan, zonder de stap naar staatkundige onafhankelijkheid zelf te zetten, had in een situatie van economische afhankelijkheid weinig zin. In economisch opzicht was Suriname te zeer van Nederland afhankelijk gebleven, maar daaraan een einde maken vereiste politieke autonomie, niet andersom.

Ooit zei Den Uyl tegen mij, toen we samen nog eens terugkeken op het hele proces en de nasleep daarvan: “Suriname werd eerder te laat dan te vroeg onafhankelijk”. Dat was ook mijn mening.

Zij hadden diepe sporen getrokken. Ik vond en vind: in 1975 was het hoog tijd het proces te voltooien.

Hij vond dat Nederland onvoldoende met zijn eisen had rekening gehouden. Hij vreesde etnische confrontaties.

Wij grepen terug op de bepalingen van het Statuut waaronder Lachmon zelf zijn handtekening had gezet – overigens nadat Nederland de wens van Suriname om de mogelijkheid van eenzijdige secessie in het Statuut op te nemen had verworpen. Afgesproken was dat het ieder Rijksdeel in een volgend stadium vrijstond opnieuw te pleiten voor een verandering van de Koninkrijksverhoudingen, maar aan het eventueel uittreden werden geen voorwaarden verbonden, ook niet die van een referendum of een twee-derde meerderheid.

Als we dat wel zouden doen zou dat als koloniaal optreden worden gebrandmerkt. In plaats daarvan creëerden we drie voorzieningen.

Mede op aandringen van Nederland kwam in Suriname nog voor de datum van onafhankelijkheid een Grondwet tot stand, die de rechten van alle Surinamers zou waarborgen. En we stipuleerden dat de ontwikkelingshulp aan alle Surinamers ten goede zou komen, niet alleen de achterban van het merendeels Creoolse regime, ook Hindoestanen, Javanen, Marrons en inheemsen, en onder al diegenen vooral de armere bevolkingsgroepen.

Die was uiteraard in handen van de regering van het onafhankelijke Suriname en deze toonde zich op zijn zachtst gezegd laks. We hadden harder op de tafel kunnen en moeten slaan.

Daarentegen werkte de nationaliteiten- annex immigratievoorziening uit zoals bedoeld. Weliswaar leidde die tot een brain drain, maar die zou wegebben en hoe dan ook de spanning wegnemen die tot een gewelddadig conflict had kunnen leiden.

De rechtsstaat in Suriname was onafhankelijk en sterk genoeg om de grondwetsbepalingen te garanderen. Maar dat gold natuurlijk slechts tot op het moment dat de grondwet door een staatsgreep terzijde werd geschoven.

Bijna alle nieuwe onafhankelijk geworden staten in Afrika hadden vroeg of laat te maken gekregen met een militaire staatsgreep. Daarom hadden we ervoor gepleit dat het onafhankelijke Suriname geen eigen leger zou vormen.

Lachmon bepleitte alleen dat de etnische samenstelling van een Surinaams leger evenwichtig zou zijn, maar die toezegging kreeg hij niet: in de nieuwe natie zou juist geen etnisch onderscheid gemaakt mogen worden, werd hem door NPS politici te verstaan gegeven. Daar zat wat in.

Hoe goed bedoeld ook, dat had niet mogen gebeuren. Mijn vrees werd bewaarheid: vijf jaar later grepen legerofficieren de macht.

Onafhankelijkheid vormt altijd een breuk met het verleden. Het spreekt niet vanzelf dat een functionerende democratische rechtsstaat na onafhankelijkheid overeind blijft.

In mijn boek Suriname. Van wingewest tot natiestaat heb ik een aantal van die scenario’s de revue laten passeren.

Dat had geresulteerd in een communistische dictatuur. Het nieuwe regime kon zich op armoedebestrijding concentreren zonder zich om politieke tegenstand te bekommeren.

Wie daar niet voor wenste te kiezen had een andere uitweg: vasthouden aan de rechtsorde binnen een democratisch systeem, zoals in Jamaica, in combinatie met zeer veel hulp van buitenaf ten behoeve van vooral de armste bevolkingsgroepen. Jamaica had geprobeerd een sociaal georiënteerd economisch beleid op te zetten, maar de ongelijkheid was al bij de start te groot en de hulp van buitenaf te gering, onvoldoende om het tij te keren, zodat het proces uitmondde in democratisch doormodderen.

Tal van ontwikkelingslanden werden door een van deze scenario’s geteisterd, of zelfs door meer dan één tegelijk. Dat overkwam Guatemala.

Daarna ontwikkelde zich een jarenlange burgeroorlog tussen het leger en de Indiaanse bevolking, met talloze slachtoffers. Ook militaire interventie door de Verenigde Staten, wanneer die de politieke ontwikkelingen in de eigen invloedssfeer op het continent niet zinde, zoals in de jaren tachtig onder de regimes van Ortega in Nicaragua en Coard in Grenada, was een mogelijk scenario.

Geen intern gevecht om de macht dat wel moest resulteren in een coup, louter met het doel de macht te grijpen, zonder ideologie. Geen burgeroorlog op etnische basis, of vanwege sociaaleconomische tegenstellingen.

Omdat Suriname een democratische rechtsstaat was en redelijk stabiel was gebleven, had het land zich aan al deze scenario’s weten te onttrekken. Maar geen enkel scenario bleef voor altijd uitgesloten en degenen die na 1975 verantwoordelijk waren geworden voor het reilen en zeilen in Suriname moesten waakzaam zijn en zich niet blindstaren op de verworven autonomie.

Helaas werd die keus niet gemaakt. Suriname had veel hulp ontvangen, zoveel dat de regering Aron het niet zo nodig vond zich ook zelf in te spannen.

Dat leidde tot teleurstelling, voedde de tendens het land dan toch maar te verlaten en bracht ontevredenheid alom. Ook in Suriname verwerd de politiek tot democratisch doormodderen: inertie, cliëntisme en corruptie.

Het ging verre van goed, maar dat kon veranderen, want er kwamen nieuwe verkiezingen aan en die boden kansen aan een nieuwe generatie. Doch nog voordat die democratische weg kon worden ingeslagen, pleegden ontevreden onderofficieren een coup.

Het was geen onvermijdelijk gevolg van een diepe economische crisis, geen revolutie, geen uitbarsting van etnische tegenstellingen. Het was een incident, met catastrofale gevolgen.

Zonder Valk geen Bouterse, zonder Bouterse geen 8 decembermoorden. Ondertussen in Nederland: onverschilligheid en verloochening We moeten erkennen: Nederland heeft een kwalijke rol gespeeld.

Valk was een loose cannon en ging ongecontroleerd zijn gang. Of werd hij toch aangestuurd vanuit Den Haag en zat er meer achter? Het onderzoeksrapport dat de Kamer daarover in 1984 werd aangeboden bevatte enkele geheime bijlagen.

In de Tweede Kamer werd geen meerderheid gevonden om die beslissing ongedaan te maken. Aanvankelijk werd alleen verwezen naar privacyoverwegingen.

Het lot van de slachtoffers van 1980 en van de moorden in december 1982 woog kennelijk niet zwaar genoeg om volledige openbaarheid na te streven. De belangen van hun verwanten en nabestaanden evenmin.

Als privacy echt zo’n overwegend motief voor geheimhouding is, moet het wel om zeer uitzonderlijke documenten gaan waarvan openbaarmaking voorafgaand aan 2060 groot gevaar voor betrokkenen of hun familie zou opleveren. Dat klinkt onwaarschijnlijk.

De telkens herhaalde uitspraak van de Nederlandse regering “we hebben niets te verbergen” is in het licht van deze motivering volstrekt ongeloofwaardig. De verdenking dat Nederland destijds toch bij de coup betrokken is geweest kan alleen maar worden weerlegd door de documenten openbaar te maken.

Daarmee laden zij een zware verantwoordelijkheid op zich: de waarheidsvinding wordt belemmerd. Dat is in niemands belang.

“Het was daar toch een zootje”, werd gezegd, ”Geen wonder dat er een staatsgreep is gepleegd”. Dat was een vorm van goed praten Nederlandse politici onwaardig.

De toenmalige Nederlandse regering toonde zich onverschillig over het lot van de gevangen-gezette Arron en ging snel over tot erkenning van de regering van Chin A Sen die door de coupplegers in het zadel was gehesen en lange tijd als een pion van Bouterse fungeerde. Arron heeft in de gevangenis nooit iets uit Den Haag gehoord.

Tussen hem en opeenvolgende Nederlandse regeringen is het niet meer goed gekomen. Ook bij zijn opvolger, President Venetiaan, heb ik altijd het gevoel gehad dat de NPS zich door Nederland verraden voelde.

De steun werd in Paramaribo gezien als een legitimatie van de coup en van het regime Bouterse. Als die steun niet was gegeven zou Bouterse minder vast in het zadel hebben gezeten.

De Nederlandse regering had dat al in 1980 kunnen en moeten voorzien. “Een nieuwe maatschappij kan barsten vertonen en de toekomst rood kleuren”, had Trefossa gedicht.

Den Uyl had mij in die opstelling gesteund. Het was bedoeld als een waarschuwing tegen onverschilligheid en een oproep aan de Nederlandse regering om op geen enkele manier, politiek noch economisch, steun te geven aan een regime dat met geweld aan de macht was gekomen en niet zou aarzelen nog meer geweld te gebruiken.

Veerkracht Maar “na de maanden die het jaar afsluiten beginnen andere die gehoor zullen geven aan de roep om iets nieuws”. Ook die voorspelling kwam uit, en dat is geheel te danken aan de echte democraten in Suriname zelf.

Samen schreven zij een brief die beschouwd mag worden als het belangrijkste document betreffende het wezen van de democratische staat Suriname dat ooit is opgesteld. De opstellers, waaronder Kenneth Gonçalves, hebben het met de dood moeten bekopen.

Maar de oproep zelf verstomde niet. Geleidelijk keerde het tij.

Met name Lachmon past bewondering voor de manier waarop hij te werk is gegaan. Hij had altijd een accommoderende stijl van politiek bedrijven gehanteerd en er meerdere malen vanaf gezien de eerste viool te spelen, ook als hem dat als leider van de grootste politieke groepering toekwam.

Toen hem in 1980 als Statenvoorzitter de bevoegdheden uit handen waren geslagen, koos hij voor een opstelling als, in zijn eigen karakteristieke bewoordingen, “buigende riethalm”: niet overgeven, wel meegeven, maar niet opgeven. In 1985, toen de riethalm zich weer kon oprichten, was het Lachmon die het initiatief nam met de andere oude politieke leiders, inclusief zijn voormalige tegenstander Arron, één front te vormen: hèt Front.

Hij was degene die het initiatief nam tot een dialoog met de politici die door de militairen waren neergezet en zich niet van het 8 december bloedbad hadden gedistantieerd. Dat moet zowel Arron als hemzelf veel moeite hebben gekost, maar het was de enige weg die openstond.

Het was knap laveren, omzichtig, stap voor stap. De achterban wilde meer, maar Bouterse cum suis mochten niet te veel worden uitgedaagd: zij konden altijd weer terugkomen en Bouterse schrok er niet voor terug daarmee te dreigen.

De rest is bekend. Het politieke proces kreeg het karakter van een Echternach processie: drie stappen vooruit, twee achteruit en soms zelfs omgekeerd.

Dat was het geval na de verkiezingen van 1987, toen onder President Shankar de gevolgen ongedaan moesten worden gemaakt van het roekeloze financiële beleid van de regeringen Neyhorst, Alibux en Udenhout. Toen dat een beetje op orde was gebracht volgde de telefooncoup van 1990, waarmee een eind kwam aan het puinruimen.

Hij was succesvol en wij hebben hem daarbij vanuit Nederland geholpen, zij het te weinig. Onder druk van de Tweede Kamer moest ik hardere aanpassingsvoorwaarden aan de steun opleggen dan gewenst.

De onvrede resulteerde in een nederlaag van het Front bij de verkiezingen van 1996. Minder strenge voorwaarden hadden in een andere verkiezingsuitslag kunnen resulteren, waarna het herstel had kunnen worden voortgezet.

Vier jaar later kon Venetiaan van voren af aan beginnen, toen de bevolking opnieuw gebruik had gemaakt van haar recht om de leiders bij verkiezingen ter verantwoording te roepen en Wijdenbosch naar huis had gestuurd. Tien jaar lang ging het onder president Venetiaan weer de goede kant op, maar gedurende de tien jaar die daar weer op volgden werd onder leiding van Bouterse zo’n onverantwoord beleid gevoerd, dat een faillissement dreigde.

Het is de zoveelste keer dat Suriname zich á la Baron von Münchhausen aan de eigen haren uit het moeras trekt. Voor de vijfde keer op rij – na 1975, 1987, 1991 en 2000 – is een periode afgesloten en gehoor gegeven aan de roep om iets nieuws.

Definitief? Ik hoop het van harte. Ik vrees dat Bouterse ergens in de coulissen trappelend staat te wachten op zijn kans om weer terug te komen.

Zal hij in de ogen van de kiezers geloofwaardig blijven? Zijn voorganger heeft de democratie verkracht, maar hij kan door persoonlijke rechtschapenheid en politieke oprechtheid te tonen en door boven de partijen te staan, voorkomen dat het electoraat zich van hem afwendt. Kan Nederland daarbij helpen? Ik hoop het.

We zullen Suriname moeten zien als een veerkrachtige autonome staat, anders dan minister Blok dacht, toen hij Suriname publiekelijk wegzette als een failed state en dat falen toeschreef aan etnische tegenstellingen. We zullen bescheiden moeten zijn, want alle binnenlandse tegenstellingen in Suriname, inclusief de etnische, vloeien voort uit een door Nederland destijds opgelegde koloniale constructie.

Daar heeft Lachmon veel aan bijgedragen. De VHP is nu een nationale vooruitstrevende hervormingspartij, door velen gesteund, niet alleen door mensen afkomstig uit religieuze en etnische groepen waarmee de oude VHP verbonden was.

Het land heeft zich ontwikkeld, van een – in de woorden van Albert Helman – “raciale segmentatie zonder eigen identiteit” tot een geïntegreerde natiestaat. Om die verworvenheden te verduurzamen en teleurstellingen te voorkomen, zal juist de jeugd van Suriname het vertrouwen moeten krijgen dat het land ook op weg is een stabiele, autonome en veerkrachtige economie te worden, waarin met kracht wordt gestreefd naar de uitbanning van armoede en sociale ongelijkheid.

Het bestrijkt een breed terreinen en betreft meer dan alleen samenwerking op het niveau van regeringen. Ook lokale overheden en maatschappelijke organisaties en bedrijven kunnen een rol spelen.

Het is uiteraard aan Suriname zelf om voorstellen te doen, maar als die in overeenstemming zijn met dat verdrag is men aan Nederlandse zijde verplicht daar serieus op in te gaan. Aan beide zijden van de oceaan zullen politici en opinieleiders moeten beseffen dat hun bevolkingen nog vele jaren met elkaar verbonden zullen zijn.

Die verbondenheid is Nederland in de koloniale historie aangegaan. In 1975 is deze verbondenheid zowel veranderd als herbevestigd, om door te werken tot op de dag van vandaag.

Daarvoor mogen we hem dankbaar zijn. Jan Pronk
Jagernath Lachmon lezing
VHP Nederland

.

Datum: 20 Jan 2021 | Born: CFG Nieuws | Door: Redactie